Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende en haar echtgenoot kwalificeren als fiscale partners voor de jaren 2014 en 2015. Belanghebbende heeft in haar aangiften aangegeven aanspraak te maken op uitbetaling van de algemene heffingskorting, waarop voorlopige aanslagen zijn gebaseerd met teruggaaf van deze korting. Bij definitieve aanslagen is deze teruggaaf echter teruggenomen omdat de echtgenoot onvoldoende inkomensheffing verschuldigd was om recht op de heffingskorting te hebben.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het hof bevestigt deze uitspraak. Het hof oordeelt dat op grond van artikel 8.8 en 8.9 van de Wet IB 2001 geen recht bestaat op de heffingskorting indien de partner geen inkomensheffing verschuldigd is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de voorlopige aanslag geen bewuste standpuntbepaling van de inspecteur was, maar gebaseerd op de door belanghebbende zelf opgegeven gegevens.
Belanghebbende's betoog dat de slechte financiële situatie van haar en haar echtgenoot tot een andere beoordeling zou moeten leiden, wordt verworpen omdat toetsing aan billijkheid niet is toegestaan. Het hof wijst ook af dat de inspecteur ambtshalve de heffingskorting zou hebben toegekend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de algemene heffingskorting bevestigd.