Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
9 januari 2019, nummer SHE 18/1142, in het geding tussen
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
De Heffingsambtenaar concludeert tot een waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum van € [bedrag 2] conform zijn uitspraak op bezwaar.
4.Gronden
€ [bedrag 3] .
€ [bedrag 2] niet te hoog is. De beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt mede af van wat door eiseres is aangevoerd. Indien verweerder niet in de bewijslast slaagt, dient de rechter te beoordelen of eiseres de door haar bepleite waarde van € [bedrag 1] aannemelijk maakt, gelet ook op wat verweerder ter betwisting van de door eiseres bepleite waarde heeft aangevoerd. Indien geen van beide partijen in het van hun verlangde bewijs is geslaagd, dient de rechtbank de waarde te bepalen.
€ [bedrag 4] per jaar op de waardepeildatum. Verweerder heeft deze huuropbrengst als volgt berekend:
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep van de Heffingsambtenaar ongegrond;
- verklaart het incidenteel hoger beroep, uitsluitend op het punt van de vergoeding van kosten van bezwaar gegrond;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de vergoeding van kosten van bezwaar;
- vernietigt de proceskostenveroordeling door de Rechtbank, behoudens de veroordeling in de proceskosten van de Heffingsambtenaar in de beroepsfase tot een bedrag van € 1.024;
- bepaalt dat van de Heffingsambtenaar ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 532; en
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op in totaal € 847;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.050.
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.