Belanghebbende was ingeschreven op een woningadres, maar haar echtgenoot stond op een ander adres ingeschreven. De heffingsambtenaar legde aanslagen forensenbelasting op voor de jaren 2015, 2016 en 2017, omdat belanghebbende meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning beschikbaar hield zonder daar hoofdverblijf te hebben.
Belanghebbende voerde aan dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf had in de woning, onderbouwd met inschrijving in de Basisregistratie Personen, permanente woonbestemming van de woning, aanwezigheid gedurende vier maanden per jaar en poststukken op het adres. De heffingsambtenaar stelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs aanleverde en dat de bewijslast in dit geval bij haar lag.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de woning haar hoofdverblijf was. De beperkte aanwezigheid, de aard van de poststukken, en het ontbreken van objectief bewijs zoals volledige rekeningafschriften of inschrijvingen bij lokale voorzieningen, wezen erop dat de woning als recreatiewoning werd gebruikt.
Verder verwierp het hof de stelling dat de aanslagen onrechtmatig waren wegens vermeende dubbele heffing of onjuiste toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.