Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tussenarrest van 11 juli 2017, waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 21 september 2017;
- het proces-verbaal van de voortzetting van de comparitie van partijen, gehouden op 21 november 2017;
- de memorie van grieven met twee producties;
- de memorie van antwoord;
- Bij faxbericht van 2 juli 2020 heeft [appellante] , niet via haar advocaat, een standpunt ingenomen over het geschil en vier bijlagen aan het hof gezonden.
- Bij brief van 3 juli 2020 heeft de griffier van het hof aan [appellante] meegedeeld, samengevat, dat in hoger beroep verplichte procesvertegenwoordiging geldt en dat het hof alleen acht mag slaan op stukken die via een advocaat worden ingediend.
- Bij op 4 juli 2020 gedateerde maar pas op 6 juli 2020 aan het hof gezonden faxbericht heeft [appellante] meegedeeld, samengevat, dat zij sinds kort geen advocaat meer heeft en het hof verzocht het door haar ingezonden stuk van 2 juli 2020 met bijlagen toch te accepteren.
- De griffie van het hof heeft vervolgens eveneens op 6 juli 2020 telefonisch contact opgenomen met mr. Laatsman. Mr. Laatsman heeft toen meegedeeld dat hij nog steeds de advocaat van [appellante] is in deze zaak, maar dat hij voornemens is om geen werkzaamheden voor [appellante] meer te verrichten aangezien [appellante] zijn factuur niet wenst te betalen.
- Bij fax van eveneens 6 juli 2020 heeft de griffie van het hof vervolgens aan [appellante] meegedeeld, samengevat, dat het pleidooi op 13 juli 2020 zal doorgaan en dat [appellante] daarbij ook zonder aanwezigheid van haar advocaat haar standpunt kan toelichten. In de fax is voorts aan [appellante] meegedeeld dat zij zonder advocaat geen stukken kan indienen, dat de door haar bij fax van 2 juli 2020 ingezonden eerste drie bijlagen zich al in het procesdossier bevonden (als producties 6 en 7 bij de memorie van grieven en productie 2 bij de conclusie van antwoord) en dat [appellante] de inhoud van bijlage 4 wellicht in haar pleidooi kan verwerken zonder die bijlage over te leggen.
- Bij faxbericht van vrijdag 10 juli 2020, 16:38 uur, heeft [appellante] aan het hof, kort samengevat, verzocht om uitstel “nu wij zelf niet mogen pleiten en vertegenwoordigd dienen te zijn door een advocaat”.
- Bij faxbericht van zondagavond 12 juli 2020, 19:59 uur, heeft de statutair directeur van [appellante] aan het hof meegedeeld dat hij wegens gezondheidsredenen niet ter zitting kan verschijnen. De statutair directeur heeft tevens een pleitnota meegezonden en geschreven dat de griffier die pleitnota indien mogelijk zou kunnen voorlezen.
- Op 13 juli 2020 is van de zijde Van [appellante] niemand bij het pleidooi verschenen. Van de zijde van [geïntimeerde] zijn verschenen dhr. [statutair directeur van geintimeerde] , statutair directeur, mevr. [de manager van geintimeerde] , manager, en mr. Nieste voornoemd.
6.De beoordeling
- Bij ongedateerde maar kennelijk in 2009 gesloten schriftelijke huurovereenkomst heeft [appellante] als verhuurder aan [geïntimeerde] als huurder met ingang van 15 juli 2009 de kantoorruimte en bijbehorende parkeerplaatsen, gelegen aan de [adres 1] te [vestigingsplaats 2] , verhuurd. Het hof zal deze huurovereenkomst hierna aanduiden als de huurovereenkomst van 2009. Het gehuurde betreft een gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW.
- In de huurovereenkomst van 2009 staat onder meer het volgende:
- Na het verstrijken van de eerste huurperiode is de huur overeenkomstig artikel 3.2 van de huurovereenkomst van 2009 met ingang van 15 juli 2011 voor drie jaar voortgezet, dus voor de periode tot en met 14 juli 2014.
- Bij e-mail van 29 november 2013 heeft [statutair directeur van geintimeerde] , directeur van [geïntimeerde] , aan [de secretaresse van appellante] , secretaresse van [appellante] , het volgende meegedeeld:
- [geïntimeerde] heeft de concepthuurovereenkomst voorzien van enkele handgeschreven opmerkingen en op 11 april 2014 voor akkoord ondertekend met de toevoeging
- [appellante] heeft in de periode na 14 april 2014 geen bezwaar aan [geïntimeerde] kenbaar gemaakt met betrekking tot de opmerkingen die [geïntimeerde] in de door haar opgestelde bijlage bij de concepthuurovereenkomst heeft gemaakt.
- Bij aangetekend verzonden brief van 18 september 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:
- Bij e-mail van 23 september 2015 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat [appellante] niets bekend is van enig door [appellante] op 11 april 2014 getekend huurcontract.
- [geïntimeerde] heeft het gehuurde eind december 2015 verlaten. Bij aangetekende brief van 31 december 2015 heeft [geïntimeerde] de sleutels van het gehuurde aan [appellante] toegezonden, en daarbij onder meer het volgende meegedeeld:
- primair: € 52.260,55 inclusief btw dan wel € 44.019,85 exclusief btw ter zake schade wegens leegstand;
- subsidiair: de verstreken huurtermijnen en de maandelijks verschuldigde huur van € 1.229,66 inclusief btw dan wel € 1.033,33 exclusief btw per maand, vanaf datum dagvaarding tot en met de maand waarin de ontruiming zal plaatvinden;
- meer subsidiair: een zodanig bedrag als de kantonrechter zal vermenen te behoren;
- [appellante] heeft, door een concepthuurovereenkomst op te stellen en die huurovereenkomst op 6 januari 2014 aan [geïntimeerde] toe te zenden, aan [geïntimeerde] een aanbod gedaan als bedoeld in artikel 6:217 lid 1 BW Pro tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst (rov. 4.3).
- Voor zover de vragen en opmerkingen die [geïntimeerde] bij de concepthuurovereenkomst heeft gemaakt al kunnen worden aangemerkt als afwijkingen van het aanbod, betreft het slechts afwijkingen op ondergeschikte punten in de zin van artikel 6:225 lid 2 BW Pro (rov. 4.3).
- [appellante] heeft, nadat [geïntimeerde] de door haar ondertekende nieuwe huurovereenkomst met de lijst met opmerkingen op 14 april 2014 aan [appellante] had overhandigd, niet op de voet van artikel 6:225 lid 2 BW Pro onverwijld bezwaar gemaakt tegen de verschillen (rov. 4.4).
- Dit brengt mee dat tussen partijen de nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen. [geïntimeerde] heeft de huur overeenkomstig de bepalingen van de nieuwe huurovereenkomst geldig opgezegd tegen 31 december 2015. De huurovereenkomst is dus per 31 december 2015 (naar het hof begrijpt: met ingang van 1 januari 2016) geëindigd (rov. 4.5).
- De vorderingen van [appellante] moeten daarom worden afgewezen (rov. 4.6).
- dat haar statutair directeur, [de statutair directeur van appellante] (hierna: [de statutair directeur van appellante] ), destijds niet op de hoogte is gesteld van de e-mail van 29 november 2013, waarin [geïntimeerde] kenbaar maakte dat zij in gesprek wilde over een wijziging van de lopende huurovereenkomst;
- dat de mededeling in de e-mail van 19 december 2013, dat [de statutair directeur van appellante] akkoord is gegaan met een aanpassing op de huurovereenkomst, onjuist is.
“onder voorbehoud van vraagstellingen in dit document aangemerkt metofV, zie bijlage”. Ook heeft [geïntimeerde] een bijlage ( “addendum”) opgesteld met zeven genummerde opmerkingen over de concepthuurovereenkomst. De opmerkingen in die bijlage corresponderen met de handgeschreven notities die [geïntimeerde] op de concepthuurovereenkomst heeft geplaatst. [geïntimeerde] heeft de door haar ondertekende huurovereenkomst en de bijlage op 14 april 2014 aan [appellante] afgegeven. In het bestreden vonnis ligt het oordeel besloten dat [geïntimeerde] op deze wijze aan [appellante] “een tot aanvaarding strekkend antwoord” op het aanbod heeft gegeven in de zin van artikel 6:225 lid 2 BW Pro. [appellante] heeft dat in de memorie van grieven niet door middel van een grief bestreden.
“Partijen verklaren hierbij nadrukkelijk dat huurachterstand van1 maandeen zodanige wanprestatie van huurder oplevert dat zulks ontbinding van de huurovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming van de zijde van huurders rechtvaardigt.”
“Een huurachterstand van 2 maanden is meer dan redelijk. Een foutje van ons of bank kan zomaar leiden tot ontbinding en dat is te risicovol.”
“ECHT?”, en in de bijlage als punt 6 vermeldt:
“[Artikel] 5.2 lijkt ons niet verstandig”.Het hof constateert dat in artikel 4.2 van de huurovereenkomst uit 2009 is bepaald dat de verhuurder wel omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt. Uit niets blijkt dat partijen hebben beoogd om die regeling te wijzigen. In de e-mail van 29 november 2013 wordt als reden voor de wens tot aanpassing van de huurovereenkomst alleen de wens tot aanpassing van de looptijd van de huurovereenkomst genoemd. Ook in de e-mail van 19 december 2013 is dat het geval, waarbij tevens is vermeld dat de overige voorwaarden zo goed als gelijk zullen blijven. Bij de facturen die [appellante] nadien aan [geïntimeerde] heeft gezonden (waaronder de facturen die als productie 5 bij de conclusie van antwoord zijn overgelegd) is ook net als voorheen een huurprijs vermeerderd met btw in rekening gebracht. Omdat uit niets blijkt dat en waarom [appellante] het btw-regime zou willen wijzigen en [appellante] daarover ook niets heeft gesteld, concludeert het hof dat [geïntimeerde] , door de genoemde opmerking 6 te maken, er slechts op heeft gewezen dat het aanbod van 6 januari 2014 op dit punt een kennelijke verschrijving bevatte omdat partijen niet beoogden het btw-regime te wijzigen. De opmerking is bij deze stand van zaken niet te beschouwen als een wijziging van het aanbod, maar als een constatering over de wijze waarop de inhoud van het aanbod – dat op dit punt een kennelijke verschrijving bevat – moet worden uitgelegd.
“Artikel 6 wordt Pro wel naar verwezen”. Die opmerking is juist, want in artikel 4.1 van de concepthuurovereenkomst is ook melding gemaakt van een door de huurder verschuldigde vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten. In dat kader wordt in artikel 4.4 verwezen naar de algemene bepalingen en gesteld dat een systeem van voorschotbetalingen met latere verrekening wordt toegepast. Ook op dit punt geldt, net als ten aanzien van het btw-regime, dat niet blijkt dat partijen een wijziging hebben beoogd van hetgeen op grond van artikel 5 van Pro de huurovereenkomst van 2009 tussen hen gold, te weten dat [appellante] aan [geïntimeerde] bedragen in rekening zou brengen voor de levering van gas, water en elektra. De hiervoor in rov. 6.5.9 besproken e-mails van 29 november 2013 en 19 december 2013 wijzen er in elk geval op dat alleen de looptijd van de huur zou worden aangepast en dat de overige voorwaarden (zo goed als) gelijk zouden blijven. Overigens valt ook niet goed in te zien dat [appellante] aan [geïntimeerde] niet langer een vergoeding in rekening zou brengen voor levering van gas, water en elektra. In het pand was immers volgens het door [appellante] in eerste aanleg als onderdeel van productie 5 overgelegde rapport van [de expert] slechts één gasmeter aanwezig terwijl meerdere partijen gebruik maakten van het via die gasmeter geleverde gas. Het hof concludeert dat [geïntimeerde] , door de genoemde opmerking 7 te maken, er slechts op heeft gewezen dat het aanbod van 6 januari 2014 op dit punt een kennelijke verschrijving bevatte omdat partijen niet beoogden dat [appellante] geen gas, water en elektra meer zou afnemen. De opmerking is bij deze stand van zaken niet te beschouwen als een wijziging van het aanbod, maar als een constatering over de wijze waarop de inhoud van het aanbod – dat op dit punt een kennelijke verschrijving bevat – moet worden uitgelegd.
- Was de inhoud van de overeenkomst voldoende bepaalbaar?
- Is beroep van [geïntimeerde] op de nieuwe huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?