Hieraan is door en namens verweerders bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog het navolgende toegevoegd. Verweersters maken allereerst bezwaar tegen de vele, uitvoerige citaten die [verzoeker] in zijn eerst ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft opgenomen. Nu verweersters niet op voorhand van deze citaten kennis hebben kunnen nemen achten zij het nagenoeg ondoenlijk om hierop terstond volledig en adequaat te kunnen reageren.
Voorts stellen verweersters dat [verzoeker] bij zijn verzoek geen enkel belang heeft. Nationale Nederlanden heeft het smartengeld inmiddels bevoorschot op € 52.500,00 en in het kader van een eindregeling aangeboden dit bedrag aan te zuiveren tot € 60.000,00. [verzoeker] stelt deze bedragen te laag te vinden, maar verzuimt daarbij aan te geven aan welk smartengeldbedrag hij daarbij zelf denkt. Daar komt bij dat partijen ook is staat zijn om het smartengeld op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden te begroten. Er is immers sprake van een medische eindtoestand. Voorts zijn verweersters van mening dat de huidige methode van gevalsvergelijking ook voldoende ruimte beidt om rekening te houden met gewijzigde maatschappelijke opvattingen over de hoogte van smartengeld.
Tevens zijn verweersters van mening dat het verzoek van [verzoeker] niet ter zake dienend is. De Hoge Raad heeft expliciet bepaald dat het begroten van smartengeld aan de feitenrechter is voorbehouden. Het betreft een juridische beoordeling die de feitenrechter zelf kan en moet verrichten en die niet, zoals [verzoeker] thans verzoekt, aan een deskundige kan worden overgelaten. Indien [verzoeker] stelt dat de uitkomsten van een QALY-onderzoek mede ter vaststelling van de hoogte van het smartengeld zouden kunnen dienen, dan laat hij na aan te geven hoe deze methode zou moeten worden ingepast in de huidige methode van gevalsvergelijking. Dit nog daargelaten dat voor deze stelling in rechtspraak, literatuur noch in opvattingen in de letselschadebranche enige steun te vinden is. Integendeel, in de rechtspraak is het gebruik van de QALY-methode ter begroting van het smartengeld bij herhaling uitdrukkelijk van de hand gewezen.
Daarnaast bestaan er ook veel praktische bezwaren tegen de toepassing van het QALY-concept. Bij de begroting van personenschade staan immers de gevolgen van het letsel in het concrete geval voorop. Derhalve valt niet in te zien dat de impact van letsel in een individueel geval middels de resultaten van een algemene vragenlijst kan worden vastgesteld. Daarbij komt dat raadpleging middels een vragenlijst erg vrijblijvend is en, daar de antwoorden geen directe consequenties voor de ondervraagden hebben, ook kan leiden tot ondoordachte antwoorden.
Tot slot stellen de verweerders dat de QALY-methode nog onvoldoende uitgekristalliseerd is om te gebruiken. Zo is er nog geen overeenstemming over de te hanteren QALY-waarde. Daarbij merken zij op dat de door [verzoeker] aangezochte deskundige, [naam] , juist degene is die heeft gepleit om de QALY-methode te gebruiken bij het vaststellen van smartengeld.
Hierbij trekt deze deskundige samen op met de advocaat van [verzoeker] om deze methode van de grond te krijgen. Een QALY-onderzoek kost circa € 7.300,00 . Algemene toepassing hiervan zal dan ook leiden tot verhoogde verzekeringspremies waardoor de verzekerbaarheid van letselschaderisico in het gedrang komt, daargelaten nog dat [naam] klaarblijkelijk de enige in Nederland is die een dergelijk onderzoek kan verrichten, hetgeen onherroepelijk zou leiden tot lange wachtlijsten, aldus verweersters.