ECLI:NL:HR:2002:AE2149
Hoge Raad
- Cassatie
- G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- J.B. Fleers
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid werkgever voor immateriële schade na arbeidsongeval met bewusteloosheid
De erven van een werknemer die op 26 oktober 1993 tijdens zijn werk een val van negen meter maakte en in coma raakte, stelden de werkgever aansprakelijk voor materiële en immateriële schade. De Kantonrechter kende alleen materiële schade toe, terwijl de Rechtbank deels smartengeld toekende voor de periode dat de werknemer beperkt bewust was, maar niet voor de periode van volledige bewusteloosheid.
De Hoge Raad stelde vast dat het recht op vergoeding van immateriële schade een persoonlijk recht is dat ook toekomt bij bewusteloosheid, mits het nadeel naar billijkheid wordt vastgesteld. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat er geen recht op smartengeld bestond tijdens de bewusteloze periode. Wel is de mate van bewustzijn relevant voor de hoogte van de vergoeding.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. Tevens werd de werkgever veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank werd vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling, waarbij immateriële schadevergoeding ook voor bewusteloze periode mogelijk is.