Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
15.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 2 juli 2019;
- de akte zijdens [appellant] van 13 augustus 2019;
- de antwoordakte zijdens [geïntimeerde] van 10 september 2019 met één productie.
16.De verdere beoordeling
dat [geïntimeerde] tevens wordt veroordeeld tot ongedaan making van hetgeen [appellant] heeft gepresteerd (…)” en “
die ongedaan making bij eindarrest uit te spreken en [geïntimeerde] tot terugbetaling te veroordelen.” Op grond van de artikelen 130 lid 1 en 353 lid 1 Rv mag [appellant] zijn vordering in hoger beroep wel wijzigen, maar door dat eerst nu te doen komt dat in strijd met de in artikel 347 lid 1 Rv Pro besloten tweeconclusieregel. Die regel brengt mee dat [appellant] deze aanvullende vordering al in zijn memorie van grieven had behoren in te stellen. Nu [geïntimeerde] tegen de eiswijziging bezwaar maakt en niet gesteld of gebleken is dat zich een geval voordoet die afwijking van de in beginsel strakke tweeconclusieregel rechtvaardigt, laat het hof de door [appellant] verlangde aanvulling van eis buiten beschouwing.
daarmee heeft gereden met ladingen waarvan de afmetingen qua hoogte en lengte, maar ook gewicht variëren, is er dus sprake van een variërend zwaartepunt. Zeker door het verder naar achter, dus over de achterste laadklep doorladen dan waarvoor de middenasser door de fabrikant is berekend en geconstrueerd betekend dit het verplaatsen van het zwaartepunt en dus een nog onstabieler rijgedrag.”