Appellant was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, maar de rechtbank beëindigde deze tussentijds wegens het niet nakomen van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden. Appellant kwam in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om continuering van de regeling.
Het hof beoordeelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep en stelde vast dat het beroepschrift weliswaar tijdig was ingediend, maar geen kenbare beroepsgronden bevatte. Appellant had verzocht om een termijn voor het indienen van grieven, maar deze was niet toegekend. Het hof oordeelde dat een blanco beroepschrift alleen is toegestaan als het vonnis waarvan beroep niet tijdig beschikbaar is, wat hier niet het geval was.
Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Tevens overwoog het hof dat, zelfs indien appellant ontvankelijk zou zijn geweest, de beëindiging van de schuldsaneringsregeling terecht was, omdat appellant geen informatie verstrekte aan de bewindvoerder, nieuwe schulden liet ontstaan en geen plan van aanpak had om deze af te lossen.
De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 3 september 2020, waarbij het hoger beroep werd afgewezen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd bleef.