ECLI:NL:PHR:2009:BJ8338
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijn indiening aanvullend beroepschrift in schuldsaneringsregeling
In deze zaak gaat het om de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (WSNP) en de vraag of het aanvullend beroepschrift van verzoekster tijdig is ingediend. De rechtbank Rotterdam had de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd wegens niet-nakoming van informatie- en sollicitatieplicht. Verzoekster stelde hoger beroep in, maar diende aanvankelijk geen gronden mee. Pas na ontvangst van het vonnis en procesdossier diende zij een aanvullend beroepschrift in, dat door het hof als te laat werd beschouwd, waardoor zij niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Hoge Raad bespreekt de wettelijke vereisten voor het beroepschrift, dat de gronden van het hoger beroep moet bevatten, en bevestigt dat een aanvullend beroepschrift met bekwame spoed moet worden ingediend. In deze context geldt een termijn van acht dagen, gelijk aan de beroepstermijn, na ontvangst van de benodigde stukken. Verzoekster had deze termijn overschreden zonder voldoende reden, waardoor het hof haar terecht niet-ontvankelijk verklaarde.
Het middel klaagt dat de termijn van acht dagen te kort is en niet in verhouding staat tot de procesbehandeling, maar de Hoge Raad wijst dit af. Ook het oordeel van het hof dat een inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift niet tot vernietiging van het vonnis zou leiden, blijft onbestreden. De conclusie van de A-G is om het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof verklaart verzoekster niet-ontvankelijk wegens te late indiening van het aanvullend beroepschrift.