Partijen sloten op 17 januari 2014 een overeenkomst voor het inrichten van een ketelhuis en leidingwerk, waarbij de Metaalunievoorwaarden 2014 van toepassing waren. Appellante klaagde over lekkages en scheurvorming in kookketels, maar deed dit niet binnen de veertien dagen klachttermijn zoals vereist.
De rechtbank wees de vorderingen van appellante af omdat zij niet tijdig schriftelijk had geklaagd na ontdekking van de gebreken. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel tijdig had geklaagd, onder meer via e-mails in juni en juli 2015 en correspondentie in maart 2016.
Het hof stelde vast dat de eerste scheurvorming al eind augustus 2015 aanwezig was en dat de klachten in maart 2016 te laat waren ingediend. De eerdere klachten betroffen lekkende veiligheden, die na een bedrijfsbezoek in juli 2015 waren besproken en geacht werden opgelost. Het hof oordeelde dat nieuwe gebreken opnieuw binnen veertien dagen gemeld hadden moeten worden.
De grieven van appellante faalden, waarna het hof het vonnis van de rechtbank Limburg van 4 juli 2018 bekrachtigde en appellante veroordeelde in de kosten van het hoger beroep.