ECLI:NL:GHSHE:2020:2856

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 september 2020
Publicatiedatum
15 september 2020
Zaaknummer
200.269.534_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 1 Verordening (EU) nr. 655/2014Art. 23 lid 1 Verordening (EU) nr. 655/2014Art. 24 lid 3 Verordening (EU) nr. 655/2014
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep conservatoir bankbeslag wegens vervallen belang

Adede BvbA stelde hoger beroep in tegen het conservatoir beslag op haar bankrekening, gelegd door [geïntimeerde]. Het hof gaf Adede de gelegenheid om te reageren op het verweer dat zij geen belang had bij haar vordering. Adede stelde dat het beslag niet was beëindigd en noemde daarnaast andere belangen.

De feiten wezen uit dat de tegoeden waarop het beslag rustte, waren overgemaakt aan de deurwaarder die namens [geïntimeerde] optrad. Hierdoor was het beslag feitelijk geëindigd en hield [geïntimeerde] de gelden onder zich. Het hof oordeelde dat het belang van Adede bij opheffing van het beslag daardoor was komen te vervallen.

Adede voerde verder aan dat het beslag onrechtmatig was en dat er aansprakelijkheid bestond, maar zij motiveerde niet waarom deze belangen toewijzing van haar vorderingen rechtvaardigden. Het hof stelde dat het geding uitsluitend over het beslag ging en dat het belang bij beëindiging van het beslag niet langer aanwezig was.

Daarom verklaarde het hof Adede niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde haar in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Adede wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens vervallen belang bij de vordering tot opheffing van het conservatoir beslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.269.534/01
arrest van 15 september 2020
in de zaak van
Adede BvbA,
gevestigd te [vestigingsplaats] , België,
appellante,
hierna aan te duiden als Adede,
advocaat: mr. J.A. Spigt te Amersfoort,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.W. Menkveld te Utrecht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 april 2020 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/362492 / KG RK 19-687 gewezen vonnis in kort geding van 16 oktober 2019.

5.Het verloop van de procedure

5.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 21 april 2020;
- de akte van Adede met 2 producties;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6.De verdere beoordeling

6.1.
Bij genoemd tussenarrest is Adede in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het door [geïntimeerde] gevoerde verweer inhoudende dat Adede geen belang heeft bij haar vordering. Tevens is Adede in de gelegenheid gesteld om bij deze akte te reageren op de door [geïntimeerde] overgelegde producties.
6.2.
Adede heeft bij akte gesteld dat het gelegde beslag niet tot een einde is gekomen zodat daarin haar belang is gelegen. Daarnaast is Adede van mening dat zij nog andere redenen of belangen heeft bij dit hoger beroep en verwijst daarbij naar een drietal aspecten.
6.3.
[geïntimeerde] persisteert bij zijn verweer. Hij geeft aan dat de KBC bank geen gelden meer onder zich heeft waarop het hier in het geding zijnde beslag destijds is gelegd.
6.4.
Nu het debat tussen partijen is gesloten, oordeelt het hof als volgt.
[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzing van Adede zoals opgenomen in r.o. 3.3. van het tussenarrest van 21 april 2020. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
6.5.
De vorderingen van Adede strekken ertoe het namens [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag op de tegoeden van Adede die op haar bankrekening staan, op te heffen en deze tegoeden aan haar vrij te geven dan wel de omvang van het beslag te wijzigen en het bedrag op “nihil” te stellen. De onderhavige bijzondere procedure is ingeleid met het modelformulier “instellen rechtsmiddel” ingevolge artikel 36 lid 1 van Pro de Verordening (EU) nr. 655/2014 inzake het Europees bankbeslag. Onder punt 7 van dit formulier wenst Adede beëindiging van de tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag dan wel wijziging van het bedrag waarvoor beslag is gelegd.
6.6.
Tussen partijen staat vast dat de tegoeden op de bankrekening van Adede bij de KBC Bank waarop het conservatoir bankbeslag na het bestreden vonnis nog rustte, zijn overgemaakt naar de rekening van de deurwaarder die in opdracht van [geïntimeerde] het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 februari 2019 heeft betekend. De deurwaarder heeft de bank bericht dat het bankbeslag executoriaal is geworden en dat de gelden moeten worden vrijgegeven. De bank heeft aan het verzoek om de gelden aan de deurwaarder over te maken, voldaan. Adede meent dat de deurwaarder de gelden onder zich houdt in afwachting van het arrest van het hof in dit geding, maar dat klopt niet. Uit de door Adede overgelegde e-mail van de deurwaarder blijkt dat de deurwaarder voor mr. Menkveld ( [geïntimeerde] ) optreedt. [geïntimeerde] moet dus worden geacht de gelden door tussenkomst van de deurwaarder onder zich te houden. Die situatie zal op grond van afspraken tussen partijen voortduren tot de beslissing in dit geding, zo blijkt verder uit die e-mail.
Gegeven deze feitelijke ontwikkelingen heeft Adede naar het oordeel van het hof geen belang meer bij de verzochte opheffing van het conservatoire beslag en de vrijgave van de gelden. Deze gelden staan immers niet meer op de rekening van Adede bij de KBC Bank. [geïntimeerde] heeft de gelden ontvangen en de executie is daarmee geëindigd.
De stelling van Adede dat het conservatoire beslag niet tot een einde is gekomen omdat niet aan de vereisten van artikel 23 lid 1 of Pro artikel 24 lid 3 van Pro voormelde Verordening is voldaan, verwerpt het hof. De regelingen die in deze bepalingen zijn opgenomen, zien op de wijze waarop het bevel tot conservatoir beslag moet worden uitgevoerd en niet op een einde van het bevel tot conservatoir beslag.
6.7.
Adede wijst voorts nog op andere redenen of belangen die zij heeft bij haar vorderingen in hoger beroep. De drie aspecten die zij daarbij noemt, zijn het conservatoire karakter van het beslag, de onrechtmatigheid van het beslag en, tot slot, de aansprakelijkheid van en de afdracht aan [geïntimeerde] . Adede laat echter na te motiveren waarom deze belangen gediend zijn met toewijzing van de onderhavige vorderingen. Het belang bij beëindiging van een (conservatoir) beslag is erin gelegen dat de beslagene weer vrijelijk kan beschikken over hetgeen in beslag is genomen en juist dat belang kan onder de gegeven feitelijke omstandigheden niet (langer) gediend worden. Indien [geïntimeerde] zoals Adede beweert bepaalde vereiste stukken niet heeft gevoegd bij zijn inleidende processtuk en daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, is Adede op grond van de executoriale titel nog steeds gelden verschuldigd aan [geïntimeerde] . En daar komt nog bij: het eventuele belang van Adede om alvast een voorbereidende stap te zetten om [geïntimeerde] aansprakelijk te stellen (door een oordeel van dit hof uit te lokken over die niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] ), is in dit geding geen rechtens te respecteren belang. Dit geding gaat immers over het beslag, niet over die aansprakelijkheidskwestie.
6.8.
Het hof zal Adede niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Nu haar belang bij toewijzing van haar vorderingen reeds voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding in hoger beroep was komen te vervallen, wordt Adede in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

7.De uitspraak

Het hof:
verklaart Adede niet ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt Adede in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 324,00 aan griffierecht en op € 1.611,00 aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, J.M.H. Schoenmakers en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 september 2020.
griffier rolraadsheer