ECLI:NL:GHSHE:2020:2871
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs directe beschikking verdachte
In deze zaak stond de vordering van het openbaar ministerie centraal om de betrokkene te verplichten tot betaling van een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op € 1.117.631,86, met een billijkheidsbeding van € 143.040,00. De rechtbank had deze vordering afgewezen en het hof bevestigt dit oordeel.
De feiten betreffen overtredingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht door de rechtspersoon [rechtspersoon 1], waarbij meer afvalstoffen werden opgeslagen dan toegestaan. Het voordeel bestond uit kostenbesparing doordat afval niet correct werd afgevoerd. De betrokkene was middellijk bestuurder en enig aandeelhouder van de B.V., maar het hof oordeelde dat het vermogen van de rechtspersoon niet met dat van de betrokkene kan worden vereenzelvigd.
Het hof stelde vast dat er onvoldoende bewijs was dat de betrokkene zonder meer over het geld kon beschikken dat voortkwam uit de bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Het enkele feit dat hij salaris ontving was onvoldoende om te concluderen dat hij persoonlijk voordeel had genoten. Daarom werd de ontnemingsvordering afgewezen.
Het arrest bevestigt het belang van een concrete en overtuigende bewijsvoering omtrent de beschikking over het wederrechtelijk verkregen voordeel door de betrokkene zelf, en benadrukt het afgescheiden vermogen van rechtspersonen in ontnemingszaken.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de betrokkene wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van directe beschikking over het voordeel.