ECLI:NL:HR:2004:AR3721
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij diefstal kobalt
In deze zaak stond de ontnemingsmaatregel centraal die was opgelegd aan betrokkene wegens diefstal van een partij kobalt. Het hof had geoordeeld dat ondanks dat de kobalt later aan betrokkene en zijn mededaders was ontvreemd, dit niet in de weg stond aan de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof schatte dit voordeel op minimaal 15% van de marktwaarde van de partij kobalt.
De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever de rechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft gegeven bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij moet worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald op het moment van voltooiing van het delict, ongeacht latere gebeurtenissen zoals diefstal van de buit.
Het middel van betrokkene, dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met het feit dat de buit later was ontvreemd, werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onjuist noch onbegrijpelijk was en dat de schatting van het voordeel aan de hand van de minimale opbrengst in het illegale circuit passend was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de ontnemingsmaatregel van € 311.747,01 opgelegd door het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsmaatregel van € 311.747,01.