ECLI:NL:GHSHE:2020:3168

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
200.273.037_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 353 RvArt. 224 lid 1 RvArt. 224 lid 2 RvArt. 353 lid 2 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over zekerheidstelling proceskosten in hoger beroep bij gebrek aan woonplaats in Nederland

In deze civiele procedure vorderen geïntimeerden zekerheidstelling voor proceskosten en schadevergoeding van appellant, die in Ghana woont en geen bekende verblijfplaats in Nederland heeft. Dit naar aanleiding van een verstekvonnis waarbij appellant werd veroordeeld tot betaling van €33.500 plus rente en proceskosten. Appellant had verzet ingesteld tegen het verstekvonnis, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in dat verzet.

Geïntimeerden stellen dat appellant niet bereid is te voldoen aan het vonnis en dat verhaal op zijn vermogen in Ghana illusoir is, waardoor zij zekerheid willen vorderen op grond van artikel 224 Rv Pro. Het hof stelt vast dat appellant in de procedure bij de rechtbank de oorspronkelijke gedaagde is geweest, waardoor volgens artikel 353 lid 2 Rv Pro geen verplichting tot zekerheidstelling bestaat.

Het hof wijst daarom de vordering tot zekerheidstelling af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling proceskosten wordt afgewezen omdat appellant als oorspronkelijke gedaagde geen verplichting tot zekerheidstelling heeft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.273.037/01
arrest van 13 oktober 2020
gewezen in het incident tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats 1] (Ghana),
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna aan te duiden als: [appellant] ,
advocaat: mr. W. Matadien te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats 2] ,

2.
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats 2] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. D.D. Senders te Leusden,
op het bij exploot van dagvaarding van 14 januari 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis in het incident van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 16 oktober 2019, gewezen tussen [appellant] als eiser in het verzet, verweerder in het incident en geïntimeerden als gedaagden in het verzet, eisers in het incident.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/348678 / HA ZA 19-476)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de incidentele akte met vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
Bij verstekvonnis van 1 mei 2019 is [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 33.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2018. Tevens is [appellant] in de proceskosten en de nakosten veroordeeld. [appellant] heeft vervolgens een verzetdagvaarding laten uitbrengen, waarna [geïntimeerden] een incidentele akte hebben genomen waarin zij primair hebben gevorderd [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzet.
3.2.
In het bestreden vonnis in het incident heeft de rechtbank [appellant] vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en is hij veroordeeld in de kosten van het incident en van de verzetprocedure, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan die uitspraak zijn begroot op € 543,-- in het incident en op nihil in de verzetprocedure.
3.3.
In dit incident vorderen [geïntimeerden] [appellant] te verplichten tot het stellen van zekerheid voor de totale proceskosten en de schadevergoeding waartoe hij veroordeeld is, althans weer veroordeeld kan worden (de zgn. cautio judicatum solvi).
3.4.
[geïntimeerden] stellen daartoe dat [appellant] in Ghana woont en geen bekende woonplaats of verblijfplaats heeft in Nederland en dat zij alle belang hebben om ex artikel 224 Rv Pro zekerheid te vorderen nu [appellant] inmiddels heeft laten zien niet bereid te zijn te voldoen aan het tegen hem gewezen vonnis en verhaal op zijn eventuele bezittingen in Ghana illusoir blijkt te zijn. Volgens [geïntimeerden] is geen vermogen van [appellant] in Nederland bekend en is niet redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal zijn (artikel 224 lid 2 sub c BW Pro).
3.5.
[appellant] is op grond van de Tijdelijke regeling Handelszaken in Hoger Beroep zesmaal in de gelegenheid gesteld te antwoorden in het incident, maar hij heeft geen incidentele antwoordconclusie genomen.
3.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv Pro dient degene die zonder woon-plaats of gewone verblijfplaats in Nederland bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen van toepassing is.
Artikel 353 lid 2 Rv Pro bepaalt onder meer dat deze verplichting niet geldt voor de oorspronkelijke gedaagde, eischer wordende in hoger beroep en evenmin voor de gedaagde in hoger beroep, zelfs niet bij het instellen van incidenteel hoger beroep.
3.7.
Het hof stelt vast dat [appellant] in de procedure bij de rechtbank moet worden aangemerkt als de oorspronkelijke gedaagde. Niet alleen in de verstekprocedure, maar ook in de procedure die is gevolgd op het door [appellant] ingestelde verzet (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, rechtsoverweging 3.2.2). Gelet op de hiervoor onder 3.6 weergegeven maatstaf betekent dit dat de incidentele vordering van [geïntimeerden] wordt afgewezen. Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv Pro in verbinding met artikel 353 lid 2 Rv Pro bestaat voor [appellant] geen verplichting tot het stellen van zekerheid.
3.8.
De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.9.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven, ambtshalve peremptoir. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van [geïntimeerden] af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 10 november 2020 voor memorie van grieven, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 oktober 2020.
griffier rolraadsheer