Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellant] , bijgestaan door mr. Emonds;
- [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Van Geelkerken;
- mr. J.E. van Nuland, waarnemend voor mr. Brouns, hierna te noemen: de curator.
- de brief met bijlagen van de curator d.d. 2 oktober 2020;
- het emailbericht van de advocaat van [geïntimeerde] (lijst steunvorderingen) d.d. 6 oktober
3.De beoordeling
de executoriale titel(s) zal / zullen worden ten uitvoer gelegd door alle middelen en wegen van executie, waaronder beslag en verkoop van de roerende en / of onroerende zaken, loonbeslag gerekwireerde(n)”, maar maakt geen expliciete melding van een faillissementsaanvraag. Naar het oordeel van het hof hoefde [appellant] , gezien het door [geïntimeerde] beschikken over een executoriale titel alsook gezien de omvang van het aan de orde zijnde verschuldigde bedrag, evenmin een faillissementsaanvraag te verwachten.
Alsdan is er evenmin sprake van pas betaling na kennisname van het verrichten van de aan de orde zijnde proceshandeling, te weten indiening van het faillissementsrekest.
De stelling van [geïntimeerde] in dat verband – inhoudende dat gezien de financiële positie van [appellant] als door deze geschetst in de kort gedingprocedure, op geen andere manier dan via een faillissement betaling kon worden bewerkstelligd – is gelogenstraft door de feitelijke gang van zaken in deze zaak en de betaling van de proceskosten voortvloeiend uit het kort gedingvonnis.
In de gegeven omstandigheden had [geïntimeerde] dienen te volstaan met het buiten zitting om aan de rechtbank verzoeken een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Gelet op het vorengaande, zowel per onderdeel beschouwd als in onderlinge samenhang, is het hof dan ook van oordeel dat het vorderingsrecht van [geïntimeerde] niet (summierlijk) vast is komen te staan. Daarmee is tevens komen vast te staan dat het faillissement van [appellant] ten onrechte door [geïntimeerde] is aangevraagd.
Het hof zal daarbij bepalen, gezien hetgeen in de onderdelen 3.7.2. en 3.7.3. is overwogen, dat de kosten van het faillissement volledig ten laste van [geïntimeerde] komen.
De door de curator opgegeven kosten komen het hof aannemelijk voor, gegeven de daartoe ter zitting gegeven toelichting en de aard van de diverse procedures waarin [appellant] was en is verwikkeld, ook als rekening wordt gehouden met het uitgangspunt dat de curator zich lopende een rechtsmiddel terughoudend dient op te stellen. De kosten zullen dan ook op het door de curator opgegeven bedrag worden bepaald.
Tot betaling hiervan zal [geïntimeerde] eveneens worden veroordeeld en het hof zal ambtshalve deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.