Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6719241 18-1896)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak vordert een advocatenmaatschap betaling van onbetaalde facturen voor verleende rechtsbijstand aan een cliënt in een procedure tegen de woningsluiting op grond van de Opiumwet. De cliënt was gedetineerd toen de advocaat werd benaderd door diens vader, maar de advocaat heeft ook rechtstreeks contact gehad met de cliënt.
De kantonrechter wees de vordering af omdat geen overeenkomst van opdracht werd aangenomen. Het hof oordeelt anders en stelt vast dat de advocaat gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een opdracht van de cliënt. Wel is het hof van oordeel dat de advocaat geen aanspraak kan maken op betaling van de factuur voor de rechtsbijstand vanaf januari 2017, omdat geen duidelijke afspraken zijn gemaakt over kosten en toevoeging, terwijl de opvolgend advocaat wel op toevoegingsbasis werkte.
De factuur voor griffierechten wordt wel toegewezen aan de advocaat. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover de vordering geheel werd afgewezen en wijst de vordering toe tot een bedrag van €168,- met rente. De proceskosten van beide instanties worden aan de zijde van de advocaat opgelegd.
Uitkomst: Vordering advocaat deels toegewezen tot betaling van griffierechten van €168,- met rente, overige facturen afgewezen.