Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6882176 / 18-1440)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens inhoudende een vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord met twee producties;
- het pleidooi, waarbij [appellant] pleitnotities heeft overgelegd;
- de bij brief van 9 januari 2020 door [appellant] toegezonden twee producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
- De provincie heeft via een online veiling op 16 december 2016 het pand gelegen aan [adres] te [plaats] verkocht aan [appellant] . Het pand staat bekend onder de naam Sint Jorisdoelen. Op de door de provincie als productie 1 bij de memorie van antwoord overgelegde situatietekening is het pand aangeduid met de hoofdletter P. Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst waren in het pand de Statengriffie en kantoordiensten van de provincie gevestigd. Sint Jorisdoelen bevatte circa 50 werkplekken, waarvan er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst slechts enkele door de Statengriffie (8 fte) waren bezet.
- Op de zojuist genoemde situatietekening zijn ook het Abdijplein te [plaats] en de daaraan gelegen bebouwing afgebeeld. In deze bebouwing bevinden zich onder meer kantoren van de provincie. Behalve Sint Jorisdoelen, bestaat het Abdijcomplex uit 13 panden, waarin zich onder meer de kantoren van de provincie bevinden. Zo bevat het Sipiersgebouw (op de situatieschets aangeduid met letter B) circa 60 werkplekken, De Kaatsbaan (op de situatieschets aangeduid met letter C) circa 40 werkplekken en De Librije (op de situatieschets aangeduid met letter G) circa 80 werkplekken. In de andere gebouwen bevinden zich behalve vergader- en publieksruimten, ook nog werkplekken. De provincie was voornemens om de kantoorruimten aan het Abdijplein te verbouwen en daarin flexwerkplekken te realiseren. De provincie streefde naar een “compacte huisvestingssituatie” binnen het Abdijcomplex, waarbij overtollige panden zoals Sint Jorisdoelen konden worden afgestoten.
- De provincie en [appellant] hebben ieder een versie overgelegd van de brochure die door [Bedrijfshuisvesting] Bedrijfshuisvesting is opgesteld ten behoeve van de veiling van de Sint Jorisdoelen. De versies zijn niet geheel gelijkluidend. In de brochure staat onder meer het volgende:
“De verwachting is thans medio 2018 (september).”)
Tot de verhuizing zal de provincie Zeeland het registergoed in gebruik houden op basis van een huurovereenkomst met de nieuwe eigenaar. (…)
- Het pand is aan [appellant] geleverd bij notariële akte van 31 januari 2017. In artikel 7 van Pro de akte van levering is artikel 9 van Pro de veilingvoorwaarden integraal geciteerd. Tussen partijen staat vast dat artikel 9.3 van de veilingvoorwaarden hierdoor onderdeel is gaan uitmaken van de koopovereenkomst.
- De partijen hebben (eveneens) op 31 januari 2017 een huurovereenkomst met betrekking tot het pand ondertekend, waarin [appellant] is aangeduid als ‘Verhuurder’ en de provincie als ‘Huurder’. In deze huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- Op de huurovereenkomst zijn de “ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7: 230a BW” van toepassing.
- De provincie is over de periode ingaande 1 februari 2017 de overeengekomen huur gaan betalen aan [appellant] .
- [appellant] heeft in eerste aanleg een bericht uit de Provinciale Zeeuwse Courant van 14 april 2017 overgelegd. In dat bericht staat onder meer het volgende:
(…)
- Bij gelegenheid van de beëindiging van de huur per 31 januari 2018, zijn de ambtenaren van de Statengriffie die in Sint Jorisdoelen waren gehuisvest, naar het Sipiersgebouw (op de situatietekening aangeduid met B) verhuisd.
- De verbouwing van De Librije is in het najaar van 2018 voltooid en op 12 november 2018 opgeleverd. Na oplevering zijn de ambtenaren van de Statengriffie van het Sipiersgebouw naar De Librije verhuisd.
- € 30.000,-- aan achterstallige huur over de maanden februari, maart en april 2018, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag zoals in de dagvaarding omschreven;
- € 4.500,-- aan buitengerechtelijke kosten;
- € 900,-- aan contractuele boete;
- De strekking van de huurovereenkomst was het voorzien in tijdelijke huisvesting voor medewerkers van de provincie zolang deze niet elders in het Abdijcomplex konden worden gehuisvest. De provincie mocht de huur opzeggen als het personeel dat tijdelijk in het pand vertoefde, naar het Abdijplein zou kunnen (terug)verhuizen en huisvesting van personeel in het pand dus niet meer nodig was (rov. 3.2).
- [appellant] mocht uit het in de verkoopbrochure en veilingvoorwaarden genoemde verwachte tijdstip van de verhuizing (september 2018 respectievelijk medio 2018) niet afleiden dat de provincie de huurovereenkomst niet vóór september 2018 zou kunnen opzeggen. De aanduiding van de tijdstippen als “verwachting” impliceerde immers dat de werkelijkheid anders kon zijn (rov. 3.3).
- [appellant] mocht er niet op vertrouwen dat de provincie het pand zou blijven huren, ook indien dat voor de huisvesting van haar personeel niet meer nodig zou zijn (rov. 3.3).
- Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] dat de huurovereenkomst pas na het gereedkomen van de algehele verbouwing zou mogen worden opgezegd. Het ligt voor de hand dat het personeel al uit het gehuurde kon verhuizen voordat de voorgenomen verbouwingen volledig gereed zouden zijn (rov. 3.3).
- Dat de provincie wellicht een groter bedrag aan huurkosten had gereserveerd, voert niet tot een ander oordeel (rov. 3.3).
- primair: € 308.000,-- aan contractuele schadevergoeding over de periode van 1 februari 2018 tot 4 december 2018, te vermeerderen met € 1.000,-- voor iedere dag dat de provincie na 4 december 2018 in gebreke blijft met betaling van de verschuldigde huur, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf het nemen van de memorie van grieven (zijnde 4 december 2018);
- subsidiair: € 90.000,-- aan huur over de maanden februari tot en met oktober 2018, vermeerderd met wettelijke rente ingaande 30 dagen na het niet betalen (naar het hof begrijpt: na het opeisbaar worden) van iedere huurtermijn;
- alsmede subsidiair: € 8.400,-- aan contactuele boete voor het te laat betalen van de huur, berekend per 1 december 2018 en te vermeerderen met € 800,-- voor iedere maand dat de huur daarna te laat zal zijn betaald;
- primair en subsidiair: € 4.500,-- aan buitengerechtelijke kosten;