Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een brief/rapportage van [maatschappelijk werkster] , maatschappelijk werkster van [organisatie 1] van 9 oktober 2020, ingekomen op 13 oktober 2020;
- de stukken van de eerste aanleg, als klaarblijkelijk op 8 oktober 2020 aangetekend verzonden en eerst door het hof op 14 oktober 2020, na de mondelinge behandeling, ontvangen.
3.De beoordeling
Het weinige dat het hof uit die rapportage kan afleiden is dat wordt gesproken over een ziekmelding in 2013 vanwege medische klachten en dat [appellante] niet kon werken vanwege een intensief behandeltraject, klaarblijkelijk in 2015 (ten tijde einde wachttijd WIA). Bij een herkeuring in 2016 werd geconcludeerd dat [appellante] niet kon werken vanwege ‘onderliggende problematiek’ dat ‘persoonlijk en sociaal disfunctioneren’ veroorzaakte. In 2017 waren er geen benutbare mogelijkheden op het vlak van arbeid en re-integratie vanwege een in januari gestart intensief behandeltraject.
“Mijns inziens zou het dan ook zeer wenselijk zijn dat mevrouw toegelaten wordt tot de WSNP. Hierdoor zou er rust en ruimte ontstaan om te herstellen en verder te gaan met de rouwverwerking om het verlies van haar partner een ‘plaats te geven’. Zo kan ze op een meer ontspannen manier gaan genieten van het moederschap, langzaam aan plannen gaan maken voor de toekomst en kan de hulpverlening verder afgebouwd worden.”