Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
's-Hertogenbosch, gewezen tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres.
1.Vooraf
2.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/340539 / HA ZA 18-779)
3.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel appel, met producties 1 t/m 16;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.
4.De beoordeling
manhet volgende aan. Partijen hebben een verklaring (hierna: de Verklaring) ondertekend. De Verklaring is opgemaakt door de notaris en tegelijkertijd met de aanvullende notariële samenlevingsovereenkomst (zie rov. 4.1, sub e) “gepasseerd” (mvg, pt. 2). In de Verklaring staat het volgende:
Aanvulling door [de man] en [de vrouw]
€ 35.000,--.
vrouwvoert hiertegen het volgende aan. De man heeft de Verklaring pas in hoger beroep overgelegd (mva, pt. 11).
manverweert zich hiertegen als volgt. De man heeft gehandeld conform de overeenkomst en hij heeft het bedrag van € 35.000,-- verrekend met zijn vordering, zoals ook in de overeenkomst is vermeld. De tussen partijen gesloten overeenkomst is nog altijd geldig en daarmee is de vordering van de vrouw van € 35.000,-- niet opeisbaar.
hofstelt voorop dat de man de Verklaring mag overleggen. Dat is in overeenstemming met de zogenoemde herstelfunctie van het hoger beroep. Het hof oordeelt voorts als volgt.
5.De uitspraak
€ 131.250,--(eenhonderd eenendertigduizend tweehonderdvijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 14 november 2018 tot de dag van volledige betaling;
€ 96.250,--,vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 14 november 2018 tot de dag van volledige betaling;