In deze civiele zaak staat de beroepsaansprakelijkheid centraal van [Advies B.V.] en [Belastingadviseurs] voor onjuist fiscaal advies aan [appellante]. De rechtbank had hen hoofdelijk aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot schadevergoeding, terwijl de vorderingen tegen de individuele bestuurders waren afgewezen. [Appellante] kwam in hoger beroep en vorderde onder meer inzage in diverse financiële en fiscale bescheiden om te onderzoeken of de bestuurders persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden wegens onrechtmatige daad.
Het hof beoordeelde de incidentele vordering tot inzage op grond van artikel 843a Rv en andere procesrechtelijke bepalingen. Het hof oordeelde dat het rechtmatig belang voor inzage in de meeste gevorderde documenten ontbrak, omdat [appellante] onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de bestuurders vermogen aan de vennootschappen hadden onttrokken of dat er andere verhaalsobjecten waren. Wel werd het rechtmatig belang erkend voor inzage in facturen en specificaties die de maatschap aan [appellante] had verstuurd, ter onderbouwing van de hoogte van de vordering.
Het hof wees de overige inzageverzoeken af, waaronder inzage in communicatie met de verzekeraar, jaarstukken en belastingaangiften, omdat deze niet voldoende concreet en relevant waren en het verzoek een 'fishing expedition' zou zijn. De beslissing over de proceskosten in het incident werd aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak zelf werd verwezen naar een nieuwe rolzitting voor memorie van antwoord van de geïntimeerden.
Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.