Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 28 april 2020;
- het proces-verbaal van de enquête van 30 september 2020.
6.De verdere beoordeling
€ 1.611,-
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond centraal of de echtgenote van appellant vóór 13 maart 2000 bekend was met het bestaan van effectenleaseovereenkomsten, waardoor de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid zou zijn ingetreden. Het hof had appellant toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat de echtgenote bekend was met de overeenkomsten.
Appellant en zijn echtgenote hebben verklaard dat zij beiden zelfstandig beschikten over de gezamenlijke bankrekening en dat de echtgenote deze gebruikte, maar zij konden niet aannemelijk maken dat de echtgenote de bankafschriften en belastingaangiftes niet had ingezien. De verklaringen van appellant en zijn echtgenote liepen bovendien uiteen over de mate van betrokkenheid bij de financiële zaken.
Het hof oordeelde dat appellant niet geslaagd was in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden. De echtgenote was naar het oordeel van het hof wel degelijk op de hoogte van de overeenkomsten vóór 13 maart 2000. Hierdoor was de bevoegdheid tot vernietiging door haar verjaard op het moment van stuiting door de collectieve actie. De vorderingen van appellant werden daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens verjaring en onvoldoende tegenbewijs.