Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de man, bijgestaan door mr. De Bruijn;
- de vrouw, bijgestaan door mr. Tuinstra.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak gaat het om een incident in hoger beroep waarin de man verzoekt de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van onderdelen van een beschikking inzake vermogensbeschrijving en waardering te schorsen. De rechtbank had in eerste aanleg de echtscheiding uitgesproken en partijen bevolen tot het opstellen van een vermogensbeschrijving ten behoeve van de verrekening en verdeling.
De man betoogt dat het schorsen van de uitvoerbaarverklaring wenselijk is vanwege mogelijke vernietiging van de eindbeslissingen in hoger beroep en het voorkomen van onnodige kosten bij waardering van de onderneming. De vrouw stelt dat de vermogensbeschrijving noodzakelijk is voor de voortgang van de verdeling en dat het belang van voortgang zwaarder weegt dan het belang van de man bij kostenbesparing.
Het hof overweegt dat de rechtbank de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet heeft gemotiveerd, waardoor de man geen beroep kan doen op nieuwe feiten of omstandigheden. Het belang van de vrouw bij een tijdige vermogensbeschrijving, gegrond in wettelijke bepalingen, weegt zwaarder dan het belang van de man bij schorsing. De kans van slagen van het hoger beroep speelt geen rol in dit incident. Daarom wijst het hof het verzoek van de man af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en bevestigt de verplichting tot vermogensbeschrijving en waardering.