Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak staat de uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De minderjarige is sinds november 2019 voorlopig onder toezicht gesteld en geplaatst bij een pleeggezin. De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die de machtiging tot uithuisplaatsing verleende.
De ouders stellen dat zij een veilig en stabiel thuis kunnen bieden en wijzen op de positieve ontwikkeling van de moeder en de ondersteunende rol van de vader. Zij betogen dat er te veel wordt gekeken naar het verleden van de moeder. De raad voor de kinderbescherming betoogt dat de ouders niet in staat zijn om verantwoord voor de minderjarige te zorgen, mede door het gedrag van de ouders in het ziekenhuis en de beperkingen van de moeder.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:265b BW de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De contactregeling van één uur per week is onvoldoende om terugplaatsing te rechtvaardigen. De moeder kan de zorg niet alleen dragen en de vader is noodzakelijk voor ondersteuning, maar beiden vertonen ruw gedrag en kunnen de veiligheid van de minderjarige niet garanderen. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de ouders af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het hoger beroep van de ouders af.