In deze civiele zaak draait het om de afwikkeling van een nalatenschap waarbij de geïntimeerde vordert dat de appellant de nog niet verdeelde goederen, waaronder fotoalbums en een trouwreportage, aan de notaris aflevert voor verdeling.
De bewijslevering richtte zich op de vraag of de appellant de goederen daadwerkelijk heeft opgehaald bij de bewindvoerder op 4 maart 2016. De getuigenverklaringen van de geïntimeerde en de voormalige bewindvoerder bevestigen dat de goederen, verpakt in een bananendoos, zijn overgedragen en door de appellant zijn geparafeerd. Het tegenbewijs van de appellant, waaronder verklaringen van haar partner en oom en een rapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, werd door het hof onvoldoende overtuigend bevonden.
Het hof oordeelt dat de geïntimeerde het bewijs heeft geleverd dat de appellant de goederen in bezit heeft en dat het aan de appellant is om uit te leggen wat er daarna mee is gebeurd. Aangezien zij dat niet heeft gedaan, wordt aangenomen dat zij de goederen nog steeds bezit en deze aan de notaris moet afgeven. De vordering wordt daarom toegewezen, inclusief de dwangsom en kostencompensatie in eerste aanleg. De vonnissen van de kantonrechter worden bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.