In deze zaak stond de ontnemingsvordering wegens hennepteelt centraal. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €109.048,14 en een betalingsverplichting opgelegd. Betrokkene stelde in hoger beroep dat hij het voordeel niet had genoten en dat slechts €1.000 aan hem toegerekend kon worden, omdat hij slechts toestemming had gegeven voor de kwekerij vanwege een schuld.
Het hof verwierp dit verweer als ongeloofwaardig en rekende het volledige voordeel aan betrokkene toe. Verder werd de vordering van de benadeelde partij voor illegaal elektriciteitsverbruik (€7.589,98) in mindering gebracht, waardoor het voordeel werd vastgesteld op €101.458. De redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een matiging van €5.000, zodat de betalingsverplichting €96.458 bedraagt.
De verdediging voerde ook draagkracht aan, maar het hof vond onvoldoende bewijs dat betrokkene niet zou kunnen betalen. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal drie jaar conform de wettelijke regeling. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht met de aangepaste bedragen en voorwaarden.