ECLI:NL:GHSHE:2020:503
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg waarin een betalingsverplichting werd opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim €294.000.
De ontnemingsvordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het voordeel was vastgesteld via een eenvoudige kasopstelling. De rechtbank had het voordeel echter gebaseerd op het derde lid van dit artikel, wat vereist dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Het hof stelde vast dat een dergelijk onderzoek ontbrak, waardoor het vonnis niet op dit lid kon steunen.
De advocaat-generaal vorderde primair bevestiging van het vonnis met een vermindering van de betalingsverplichting wegens schending van de redelijke termijn, subsidiair een lagere vaststelling van het voordeel. De verdediging voerde verweren tegen de omvang van het voordeel en de betalingsverplichting.
Het hof oordeelde dat onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig waren dat het contante geld en de contante betalingen afkomstig waren uit de bewezen strafbare feiten, waaronder hennephandel en deelname aan een criminele organisatie. Betrokkene was immers vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en het telen van hennep in de relevante periode. Ook ontbraken aanwijzingen voor soortgelijke feiten of strafbare feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees de ontnemingsvordering af.
Uitkomst: Het hof wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende concrete aanwijzingen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit bewezen strafbare feiten afkomstig is.