Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Mosadex C.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Apotheek [de Apotheek] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 2 mei 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 15 juni 2017;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
6.De beoordeling
Mosadex c.s. leverde geneesmiddelen aan [Apotheek 2] en [Apotheek 1] sinds 2003 op dagelijkse basis en bij betaling achteraf. Vanaf 2013 zijn diverse leveringen niet tijdig betaald.
Mosadex c.s. is akkoord gegaan met doorleveren van geneesmiddelen aan [Apotheek 2] en [Apotheek 1] op voorwaarde dat voortaan vooraf zou worden betaald.
€ 110.000,-- respectievelijk € 84.975,-- ontvangen vanwege haar eigendomsvoorbehoud op de voorraden. Er zijn voor het overige uit de verkoopopbrengst van beide apotheken geen betalingen aan Mosadex c.s. gedaan.
€ 67.323,00;
€ 3.509,04;
bewustonjuist heeft geïnformeerd, onvoldoende concreet onderbouwd. Als uitgangspunt geldt dan ook dat [geïntimeerde] per abuis onjuiste informatie op dit punt heeft verstrekt. Op welk moment in de onderhandelingen het hypotheekrecht precies ter sprake is gekomen, is gelet op het voorgaande niet relevant. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in het bestreden vonnis terecht en op goede gronden overwogen dat [geïntimeerde] ten aanzien van de onjuiste informatie over het hypotheekrecht geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
“te kennen [heeft] gegeven een (bancaire) financiering te willen aantrekken”, voor het aflossen van de door [Beheer] aan hem verstrekte lening (overweging I. van de garantieovereenkomst). Uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken (prod. 7 bij conclusie van antwoord) blijkt dat [geïntimeerde] 2 maanden voor het sluiten van de garantieovereenkomst al informatie over een dergelijke financiering heeft ingewonnen bij De Hypotheker. Als onvoldoende betwist staat verder vast dat: (i) het ten tijde van het sluiten van de garantieovereenkomst de bedoeling was dat [geïntimeerde] in dienst zou treden bij [Apotheek 1] , (ii) de bank pas na het aangaan van de garantieovereenkomst eiste dat ook [Apotheek 1] zou worden verkocht, (iii) aldus de (potentiële) inkomsten van [geïntimeerde] verdwenen en daarmee ook de mogelijkheid om de financiering aan te trekken. Dat [geïntimeerde] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de problemen met de bank zoals bedoeld in (ii) volgt niet uit de stellingen van Mosadex c.s. (zie onder meer proces-verbaal comparitie in eerste aanleg p. 5: Mosadex c.s. heeft opgemerkt dat het haar niet duidelijk is of [geïntimeerde] op dit punt een verwijt te maken valt). Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet kunnen verkrijgen van de in de garantieovereenkomst genoemde financiering van
Het bericht van de raadsman van Mosadex c.s. van 23 december 2014 kan mede gelet op het voorgaande evenmin als een toezegging van [adviseur] namens [geïntimeerde] worden opgevat, zeker niet nu het hier niet om een bericht van [adviseur] zelf gaat. Als onbetwist staat vast, dat [adviseur] de bewuste passage ook niet bevestigd heeft in latere berichten.