Partijen zijn gehuwd sinds 1997 en hebben geen minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding wees de rechtbank Limburg een partneralimentatieverzoek van de vrouw af, waarna zij in hoger beroep ging. De vrouw vorderde een partneralimentatie van €3.536,74 bruto per maand, terwijl de man dit betwistte en stelde geen draagkracht te hebben.
Het hof stelde vast dat de behoefte van de vrouw gebaseerd moest worden op een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2015-2017, wat resulteerde in een netto behoefte van €3.034,72 per maand (niveau 2018), geïndexeerd naar €3.172,80 per maand in 2020. De vrouw stelde dat zij door medische klachten niet volledig kon werken, maar het hof vond onvoldoende bewijs dat zij niet in staat was om ten minste het minimumloon te verdienen, waardoor zij slechts gedeeltelijk behoeftig werd geacht met een aanvullende behoefte van €1.500 netto per maand.
De man had een eenmanszaak met een geschatte winst van €32.000 per jaar. Het hof hield rekening met diverse lasten, waaronder schulden en ziektekosten, en berekende een netto draagkracht van €668 per maand, waarvan 60% beschikbaar is voor partneralimentatie. Dit leidde tot een partneralimentatie van €491 per maand vanaf de inschrijving van de echtscheiding.
De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het hof bekrachtigde de echtscheiding en vernietigde het eerdere vonnis alleen voor het onderdeel partneralimentatie, waarna het deze opnieuw vaststelde.