Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3],
[appellant 4],
allen wonende te [woonplaats] ,
[appellant 5],
en appellant 5 afzonderlijk als [appellant 5] ,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 3],
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 4],
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 5],
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 6],
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 7],
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 8],
wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 9],
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/331536/ HA ZA 17-385)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
8. Ik bereid de bevoegdheden van de executeurs uit buiten afdeling 4.5.6. van het Burgerlijk Wetboek en stel derhalve een afwikkelingsbewind in, waarvoor het volgende geldt:
Ik stel een bewind in over de erfdelen van mijn erfgenamen en benoem de executeurs tot bewindvoerders. Ik stel dit bewind in, in het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van de nalatenschap en voorts aangezien ik mijn erfgenamen ongeschikt en onmachtig acht om zelf in het beheer van mijn nalatenschap te voorzien. De executeurs zijn derhalve bevoegd om de nalatenschap naar eigen inzicht te verdelen.”.
- € 24.533,- (het erfdeel in de nalatenschap van moeder) en
- € 11.863,16 (het erfdeel in de nalatenschap van vader), beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente,
en aan ieder van eiseres 1 tot en met 4 toekomt:
- € 6.133,25 (het erfdeel in de nalatenschap van moeder) en
- € 2.965,79 (het erfdeel in de nalatenschap van vader), beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente;
[appellant 5]bedraagt in totaal € 8.025,98.
appellanten 1 tot en met 4bedraagt voor ieder € 2.006,49.
€ 11.863,16.
appellanten 1 tot en met 4in de nalatenschap van vader is aanvankelijk voor ieder berekend op € 959,30. Dit bedrag moet worden vermeerderd met hun schade van
€ 2.006,49. Ieders erfdeel in de nalatenschap van vader is dus
€ 2.965,79, aldus [appellanten c.s.] .
1) het perceel in zijn geheel voor € 310.000,- (laatprijs € 295.000,-), of
2) het perceel minus 200 m² grond voor € 280.000,- (laatprijs € 265.000,-), waarbij [de kleinzoon van de erflater, tevens zoon van appellant 5] de resterende grond zou kopen voor € 30.000,- (in totaal ook € 295.000,-).
Het hof is van oordeel dat [geintimeerden c.s.] dit niet, althans onvoldoende hebben weersproken.
allebetrokkenen, om te komen tot een goede afwikkeling van de nalatenschap. Daar is het niet van gekomen. Door in de gegeven omstandigheden tot verkoop van de woning voor € 295.000,- aan [de kleindochter van de erflater en dochter van geintimeerde 1] over te gaan, zijn de belangen van [appellanten c.s.] onvoldoende behartigd en is tekort geschoten in de zorg van een goed executeur-afwikkelingsbewindvoerder.
3.30 De rechter dient de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (artikel 6:97 BW Pro).
Erven [de erven van de erflater]” is gedagtekend op 31 januari 2016, zodat die waarde toen bekend was. [geintimeerden c.s.] hebben weliswaar betwist dat deze WOZ-waarde een juist beeld geeft, maar zij hebben dit op geen enkele wijze onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom niet van deze WOZ-waarde kan worden uitgegaan. De schade wordt daarom begroot op € 20.000,- (€ 315.000,- minus € 295.000,-).
4.De uitspraak
i. de netto gederfde verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] te [plaats] ad € 20.000,-;
ii. de ten laste van de nalatenschap gebrachte kosten van € 8.507,26;
voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
19 september 2016;