Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2010 tot en met 2013, waarbij naast inkomen uit werk en woning ook inkomen uit sparen en beleggen was aangegeven. Hij stelde dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP Pro).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hof hield de zaak aan in afwachting van de arresten van de Hoge Raad over de verenigbaarheid van de vermogensrendementsheffing met artikel 1 EP Pro. Na het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, waarin werd geoordeeld dat voor 2013 en 2014 sprake kan zijn van een mogelijke schending van artikel 1 EP Pro zonder dat de rechter kan ingrijpen, besloot het hof dat dit oordeel ook geldt voor 2012. Voor 2010 en 2011 is reeds vastgesteld dat geen strijd met artikel 1 EP Pro bestaat.
Belanghebbende voerde aan dat de heffing op basis van reële in plaats van nominale rendementen beoordeeld moet worden, maar het hof zag geen aanleiding om hiervan af te wijken of om rechterlijk ingrijpen toe te staan. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees het hof de vordering tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.