Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 4 december 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 12 februari 2019;
- de memorie van grieven (met producties 10 en 11);
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties 12 en 13);
- de memorie van antwoord in incidenteel appel;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
6.De beoordeling
onomstotelijk(onderstreping hof) blijkt;
onomstotelijk(onderstreping hof) blijkt, waaronder in ieder geval de informatie betreffende de betaling aan de Belastingdienst door erflaatster op 20 maart 2015 ten bedrage van € 9.035,-- en een eventueel daarop volgende betaling en de niet geanonimiseerde facturen betreffende de uitvaart van erflaatster;
onomstotelijkblijkt.
€ -10.468,12
€ 77.580,95(€ 34.786,20 + € 42.794,75). [geïntimeerde] heeft in hoger beroep onder A gevorderd dat het hof het bedrag inzake beide legitieme porties vaststelt. Anders dan in eerste aanleg is niet tevens de veroordeling van de executeur tot betaling van dit bedrag gevorderd. Gelet op het feit dat bij pleidooi is meegedeeld dat aan het vonnis is voldaan, begrijpt het hof dat [geïntimeerde] om die reden geen veroordeling tot betaling heeft gevorderd. Het hof beperkt zich thans dan ook zoals gevorderd tot de vaststelling van het totaalbedrag inzake de legitieme porties.
7.De uitspraak
€ 77.580,95bedragen;