Werkgever exploiteert een bakkersbedrijf en had werknemer in dienst als ovenist/bakker vanaf 1 februari 2019 voor 12 maanden. Op 22 december 2019 werd werknemer op staande voet ontslagen nadat hij op 21 december niet was verschenen en op 22 december te laat kwam.
Werknemer startte op 30 januari 2020 een kort geding en kreeg bij vonnis van de kantonrechter een gunstige uitspraak, waarbij werkgever werd veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en wettelijke verhogingen. Werkgever ging in hoger beroep en stelde dat het ontslag op staande voet inmiddels onaantastbaar was geworden omdat werknemer het verzoek tot vernietiging had ingetrokken en de wettelijke vervaltermijn van twee maanden was verstreken.
Het hof oordeelde dat het spoedeisend belang van werknemer voor de voorziening nog bestond, maar dat het ontslag op staande voet onaantastbaar was geworden door het verstrijken van de vervaltermijn. Hierdoor kon het eerdere vonnis niet in stand blijven en werden de vorderingen afgewezen. Werknemer werd veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen en in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep. Een door werkgever ingestelde schadevordering wegens misbruik van procesrecht werd niet ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd op 20 april 2021 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.