ECLI:NL:GHSHE:2021:1205

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 april 2021
Publicatiedatum
20 april 2021
Zaaknummer
200.287.024_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 LPRArt. 6.4 LPRArt. 332 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van hoger beroep wegens ontbreken nieuwe advocaat

In deze civiele procedure heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 20 april 2021 uitspraak gedaan over het hoger beroep van appellante tegen het vonnis van de kantonrechter te Maastricht. De procedure kenmerkte zich doordat de advocaat van appellante zich op 19 januari 2021 onttrok, waarna op de verplichte roldatum van 9 februari 2021 geen nieuwe advocaat werd gesteld. Volgens artikel 6.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven verviel daardoor het recht van appellante om de proceshandeling te verrichten.

Geïntimeerden verzochten vervolgens verval van instantie en geen incidenteel appel in te stellen, waarmee zij beoogden de procedure te beëindigen. Het hof verklaarde appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep, mede omdat zij tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven had aangevoerd. Tevens werd appellante veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot op een totaal van €2.628,00.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Venhuizen, Stienissen en Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer. Dit vonnis bevestigt het belang van het tijdig stellen van een nieuwe advocaat na onttrekking en benadrukt de strikte toepassing van het procesreglement.

Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.287.024/01
arrest van 20 april 2021
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.J. Mookhram te Heerlen (onttrokken),
tegen

1.[de Stichting 1] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en mede gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

2.
[de Stichting 2] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en mede gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
geïntimeerden,
hierna afzonderlijk aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. C.A.H. Lemmens te Heerlen,
op het bij exploot van dagvaarding van 25 juni 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 maart 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [de Stichting 1] als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7899173 CV EXPL 19-4786)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 25 juni 2020;
  • het herstelexploot van 19 oktober 2020;
  • de rolbeslissing van 22 december 2020;
  • op de rol van 5 januari 2021 heeft [appellante] geen akte genomen;
  • de antwoordakte van de zijde van [de Stichting 2] van 19 januari 2021;
  • het H16-formulier voor de rol van 23 februari 2021 van de zijde van [geïntimeerden] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3.De beoordeling

3.1.
Op de rol van 19 januari 2021 heeft de advocaat van [appellante] zich onttrokken. Op grond van artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) is de zaak vervolgens verwezen naar de roldatum twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat, ambtshalve peremptoir. Op die rol van 9 februari 2021 heeft zich geen nieuwe advocaat voor [appellante] gesteld. Ingevolge artikel 6.4 LPR betekent dat dat het recht van [appellante] om de proceshandeling waar de zaak voor stond, te mogen verrichten, is komen te vervallen.
3.2.
In het nadien ingediende H16-formulier verzoeken [geïntimeerden] verval van instantie en geven zij aan geen behoefte te hebben aan het instellen van een incidenteel appel. Wat er van dit verzoek ook zij, het hof begrijpt dat [geïntimeerden] daarmee beogen een einde te willen maken aan deze procedure. Het hof zal daarom conform artikel 6.4 LPR arrest wijzen.
3.3.
In het tegen [de Stichting 2] ingestelde hoger beroep is [appellante] niet-ontvankelijk nu [de Stichting 2] in eerste aanleg geen partij was in de procedure (art. 332 Rv Pro). Nu [appellante] tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven heeft aangevoerd, zal zij voorts ook niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar tegen [de Stichting 1] ingestelde hoger beroep en als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4.De uitspraak

Het hof:
Verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
Veroordeelt [appellante] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak begroot op € 2.071,00 aan griffierecht en € 557,00 (½ punt liquidatietarief II aan salaris advocaat).
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 april 2021.
griffier rolraadsheer