In deze zaak staat een incident centraal waarin Qander Consumer Finance B.V. verzoekt om schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis en subsidiar zekerheidstelling door de curator van het faillissement van Impact Retail B.V. Het vonnis betreft de machtiging aan de curator om namens beide partijen een bindend adviseur te benoemen voor de financiële afwikkeling van een samenwerkingsovereenkomst.
De voorzieningenrechter had het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en Qander veroordeeld tot betaling van de helft van de bindend advieskosten en proceskosten. Qander stelt dat er een restitutierisico bestaat vanwege de faillissementsituatie en vraagt schorsing of zekerheidstelling.
Het hof oordeelt dat Qander ontvankelijk is, maar wijst de primaire vordering tot schorsing af omdat er geen nieuwe feiten zijn die een andere belangenafweging rechtvaardigen. Ook de subsidiaire vordering tot zekerheidstelling wordt afgewezen omdat de kosten van de arbitrageprocedure te onzeker zijn en de kort gedingrechter slechts de benoeming van de bindend adviseur heeft toegestaan.
De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak is verwezen voor arrest. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 4 mei 2021 in het openbaar uitgesproken.