ECLI:NL:GHSHE:2021:1638
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging weigering toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming
In deze zaak hebben appellanten verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank had hun verzoek afgewezen omdat niet aannemelijk was dat zij te goeder trouw waren geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Tevens was onvoldoende aannemelijk dat zij de verplichtingen uit de regeling zouden nakomen.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij vanwege medische en persoonlijke omstandigheden niet in staat waren geweest om inkomen uit arbeid te vergaren en dat de curator hen als te goeder trouw had beoordeeld. Zij stelden dat zij zich hadden ingespannen en dat hun schuldenlast grotendeels voortkwam uit omstandigheden buiten hun macht.
Het hof oordeelde dat appellanten onvoldoende bewijs hadden geleverd van een minnelijk traject en van hun goede trouw, met name ten aanzien van een aanzienlijke fiscale schuld en een boete van het CJIB. Ook ontbrak een verklaring van een hulpverlener dat hun psychosociale problemen beheersbaar zijn, waardoor niet aannemelijk was dat zij de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zouden nakomen.
Het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen omdat deze niet van toepassing is op de omstandigheden die betrekking hebben op de nakoming van verplichtingen. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afwijst wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming.