In deze civiele procedure stond centraal de vraag of het uitzendbureau recht had op betaling van facturen voor de inzet van een uitzendkracht bij de geïntimeerde. Het geschil betrof met name de ondertekening van werkbriefjes voor de ureninzet in de weken 24 tot en met 27 van 2016, die door derden dan wel door de zzp'er zouden zijn ondertekend.
Het hof heeft bewijsopdrachten geformuleerd en getuigen gehoord, waaronder de uitzendkracht zelf en de zzp'er. Uit hun verklaringen bleek dat de uitzendkracht daadwerkelijk in de betreffende weken voor de geïntimeerde heeft gewerkt en dat de werkbriefjes niet door de zzp'er, maar door anderen met toestemming van de geïntimeerde zijn ondertekend. Het uitzendbureau slaagde er niet in te bewijzen dat de zzp'er de werkbriefjes heeft ondertekend.
Het verzoek van het uitzendbureau om het probandum aan te passen naar een bredere bewijsopdracht werd door het hof afgewezen wegens strijd met de procesorde. De vorderingen van het uitzendbureau werden afgewezen, terwijl de kostenveroordelingen werden toegewezen aan de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen. Het hof bekrachtigde het vonnis in conventie en vernietigde het vonnis in voorwaardelijke reconventie.
De uitspraak bevestigt het belang van duidelijke bewijsvoering omtrent de ondertekening van werkbriefjes en de rechtsgeldigheid van facturen in het kader van uitzendovereenkomsten.