In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant als vennoot van een vennootschap onder firma (VOF) recht had op een gelijk aandeel in winst en vennootschapsvermogen, na toetreding tot de VOF van de ouders en dochter zonder schriftelijke vennootschapsovereenkomst.
De feiten betroffen het samengaan van ondernemingen van de ouders en de dochter met appellant in een VOF, waarbij appellant in 2016 uittrad. Appellant vorderde onder meer een verklaring van ontbinding van de VOF, een gelijk aandeel in het vermogen en winst, en betaling van een bedrag wegens overbedeling.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een vennootschappelijke gemeenschap in de zin van gemeenschappelijk eigendom van goederen en dat de inbreng van appellant correct was vastgesteld op €6.328,00. Er was geen bewijs van een andere winstverdeling dan naar inbreng. De vennootschap was ontbonden op 28 juli 2016 en appellant had geen aanspraak op meer dan zijn inbreng.
De incidentele vordering tot afgifte van stukken werd eveneens afgewezen. Het hof bekrachtigde de bestreden vonnissen en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.