De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 januari 2021, waarin de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen werd verlengd. De kinderen zijn sinds 2019 onder toezicht gesteld en met spoed uit huis geplaatst vanwege veiligheidsrisico's, met name door de relatie van de moeder met haar partner die als een bedreiging voor de kinderen wordt gezien.
De moeder betwist de gronden voor de uithuisplaatsing en stelt dat zij geschikt is voor de zorg van de kinderen, dat er geen sprake is van huiselijk geweld en dat de GI tunnelvisie vertoont. Zij verzoekt om terugplaatsing van de kinderen en benoeming van een bijzondere curator. De GI en de vader voeren aan dat de situatie bij de moeder onveilig is, dat de moeder onvoldoende openstaat voor hulp en dat de kinderen bij de pleegmoeder rust en stabiliteit ervaren.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn voldaan. De moeder toont onvoldoende inzicht in de veiligheidsrisico's en houdt zich niet aan gemaakte afspraken. De uithuisplaatsing is gerechtvaardigd als bescherming van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de kinderen en rechtvaardigt de inbreuk op het recht op gezinsleven. Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator wordt afgewezen wegens gebrek aan een concreet belangenconflict. Het verzoek tot uitbreiding van de zorg- en contactregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.