Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 10 december 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 6 februari 2020;
- de memorie van grieven met één productie;
- de memorie van antwoord met één productie.
6.Waar gaat het geschil in hoger beroep over?
7.De beoordeling
- [appellanten] zijn sinds 1995 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [plaats] .
- [geïntimeerde] is sinds februari 1997 eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [plaats] . [geïntimeerde] heeft het perceel destijds gekocht als bouwgrond en er een huis op gebouwd.
- De tuinen van partijen grenzen aan elkaar.
- In de tuin van [appellanten] stonden en staan diverse bomen op minder dan twee meter afstand van de erfgrens.
- Bij brief van 20 juli 2015 (productie 2 bij de inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] verzocht om de bomen die zich binnen twee meter van de erfgrens bevinden te verwijderen. [appellanten] hebben toen zeven bomen gerooid.
- Er staan in elk geval nog drie bomen op het perceel van [appellanten] binnen twee meter van de erfgrens.
expliciet(onderstreping hof) toestemming hebben gegeven dat de drie bomen die binnen twee meter van de gezamenlijke erfgrens staan daar mogen blijven staan. Het gaat dus erom of [geïntimeerde] duidelijk en zonder voorbehoud bedoelde toestemming heeft gegeven. Het hof is van oordeel dat [appellanten] niet in het leveren van het bewijs zijn geslaagd.
“het is goed zo”, het ging om de bomen die nabij de erfgrens tussen [appellant] en [buur] stonden. Het gaat daarbij volgens [geïntimeerde] niet om de bomen die in het geding zijn. [vader van appellant] heeft niet aan hem gevraagd of het allemaal goed was, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft verder verklaard dat hij in de gesprekken die hij de bewuste dag met de heer [appellant] heeft gevoerd niet de indruk heeft gewekt dat hij toestemming gaf voor het laten staan van een of meer bomen binnen de tweemeterzone. Volgens hem is hij daar zeer bewust mee omgegaan omdat hij wist dat de heer [appellant] jurist is.
“Als u mij vraagt met welke bewoordingen de heer [geïntimeerde] aangaf dat het zo wel goed was, zeg ik u dat hij een vriendelijk praatje kwam maken.Voor mij betekende dat(onderstreping hof) daarmee de rest mocht blijven staan. Dat gaf hij ook aan. Ik was opgelucht. (…). Ik heb aan de heer [geïntimeerde] nog expliciet gevraagd of hij zeker wist dat het goed zo was. Met “goed zo” bedoelde ik (onderstreping hof) dat het klaar was .
“voor mij betekende dat”,heeft de getuige de woorden die [geïntimeerde] zou hebben gebruikt
geïnterpreteerdals toestemming voor het laten staan van de rest van de bomen. Dat [geïntimeerde] expliciet toestemming voor het laten staan heeft gegeven, kan hier echter niet uit worden afgeleid. Dat klemt te meer, omdat [geïntimeerde] zelf als getuige heeft verklaard dat de woorden
“het is goed zo”sloegen op de bomen nabij de erfgrens met [buur] (hof: de twee bomen waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat die mogen blijven staan en die in hoger beroep verder niet in het geding meer zijn) en niet op de nog in het geding zijnde boom.
“wat fijn dat jullie dat gedaan hebben, dan ziet het er weer netjes uit”. [vader van appellant] verklaart dat hij nog expliciet gevraagd heeft aan [geïntimeerde] of hij zeker wist dat het zo goed was. De getuige heeft letterlijk verklaard
: “Met “goed zo” bedoelde ik dat het klaar was. Ik was erg opgelucht, want de mooiste boom mocht blijven staan. Ik was blij dat het hele gedoe eindelijk over was.”
“het zo goed was”. Een expliciet gegeven toestemming van [geïntimeerde] , die als getuige heeft ontkend dat hij gezegd heeft dat de boom mocht blijven staan, kan uit deze verklaring van [vader van appellant] dan ook niet worden afgeleid.
explicietgegeven toestemming, en niet om als zodanig door de zoon geïnterpreteerde toestemming. Het (geclausuleerde) aanbod van [appellanten] om de zoon te horen als getuige spitst echter niet toe op het leveren van bewijs dat door [geïntimeerde]
expliciettoestemming is gegeven. Het aanbod is daarmee onvoldoende specifiek en niet ter zake dienend.
op het perceel van [appellanten]binnen twee meter van de erfgrens tussen de percelen van partijen en over de door [geïntimeerde] gevorderde verwijdering van die
op het perceel van [appellanten] staandebomen. Van enig misverstand dat in de weg zou staan aan de uitvoerbaarheid van de bestreden veroordeling is dan ook in het geheel geen sprake.