In deze civiele handelszaak stond centraal of de FME-voorwaarden van [geïntimeerde] rechtsgeldig waren opgenomen in de overeenkomst met [appellante]. Het hof oordeelde dat [geïntimeerde] niet had bewezen dat zij de voorwaarden op 11 oktober 2015 aan [appellante] ter hand had gesteld, waardoor vernietiging van de bedingen over contractuele rente en verrekening gerechtvaardigd was.
Verder werd vastgesteld dat [appellante] een bedrag van €34.808,95 wegens minderwerk mocht verrekenen met het hoofdsomvordering van €92.630,02, zodat het toe te wijzen bedrag €57.821,07 bedroeg. De rente werd beperkt tot de wettelijke handelsrente vanaf de dagvaarding van 18 november 2016.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de contractuele rente en de afwijzing van de minderwerkvordering betrof, en veroordeelde [appellante] tot betaling van €59.522,37 inclusief buitengerechtelijke kosten. Tevens werd verklaard dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming.
De overige onderdelen van het vonnis werden bekrachtigd, waarbij [appellante] werd veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.