Appellant en geïntimeerde waren voormalige vrienden die elkaar hielpen met werkzaamheden en waarbij appellant eigendommen bij geïntimeerde had gestald. Na bekoeling van de vriendschap ontstond een geschil over beschadiging en achterhouden van deze eigendommen.
Appellant stelde geïntimeerde aansprakelijk voor schadevergoeding en teruggave van achtergehouden zaken, maar handelde pas ruim drie jaar na de feitelijke afgifte van de zaken. Het hof oordeelde dat dit langdurige stilzitten tot rechtsverwerking leidde, omdat geïntimeerde hierdoor onredelijk benadeeld werd en gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het niet meer geldend maken van de rechten.
De vorderingen van appellant werden afgewezen, omdat hij onvoldoende onderbouwde dat geïntimeerde nog zaken achterhield en omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat hij schade had geleden door het vertraagd terugkrijgen van de zaken. Het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.