Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9069626 / CV EXPL 21-1267)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 tot en met 11;
- de memorie van antwoord met productie 1 tot en met 7;
- het schriftelijk pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Zij hebben de woning met ingang van 1 november 2018 verhuurd aan [geïntimeerde] voor een huurprijs van € 635,50 per maand (inclusief de huur van de cv-ketel.
- [appellanten] huren zelf een bedrijfspand (café) met bovenwoning voor een huurprijs van € 1.300,-- per maand. Bij de exploitatie van het café hebben zij te maken gekregen met corona-maatregelen van de overheid, waardoor de mogelijkheden tot exploitatie van het café zijn beperkt.
- Bij brief met de datum 27 november 2020 hebben [appellanten] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:
- Hierna heeft enige correspondentie plaatsgevonden tussen partijen en hun gemachtigden, waaronder de hierna vermelde correspondentie.
- Bij brief van 11 februari 2021 heeft de advocaat van [appellanten] aan de gemachtigde van [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat bij de opzegging van 27 november 2020 een te korte opzegtermijn is gehanteerd, dat de opzegtermijn vijf maanden moet zijn en dat de opzegging op grond van artikel 7:271 lid 6 BW Pro kan gelden als te zijn gedaan tegen 27 april 2021, zodat [geïntimeerde] de woning uiterlijk op 27 april 2021 moet verlaten.
- Bij brief van 16 februari 2021 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de advocaat van [appellanten] onder meer meegedeeld dat [geïntimeerde] niet instemt met beëindiging van de huur.
- Op 18 maart 2020 – na aanvang van de onderhavige kortgedingprocedure – hebben [appellanten] een dagvaarding laten uitbrengen aan [geïntimeerde] in een bodemprocedure. In die bodemprocedure vorderen zij op de voet van artikel 7:272 lid 2 BW Pro dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst tussen hen en [geïntimeerde] zal eindigen. De mondelinge behandeling in de bodemprocedure (zaak-\ rolnummer 9122159 / CV EXPL 21-1753) heeft op 10 juni 2021 plaatsgevonden. De kantonrechter heeft aan het eind van de mondelinge behandeling bepaald dat vonnis zal worden gewezen op 4 augustus 2021. Uit informatie die het hof telefonisch heeft ingewonnen bij de griffie van de rechtbank Maastricht blijkt dat deze datum niet gehaald is en dat de bodemzaak nu op de rol van 29 september 2021 staat voor vonnis.
- [appellanten] hebben de huurovereenkomst met [geïntimeerde] terecht opgezegd wegens dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 onder Pro c BW.
- In de aanhangig gemaakte bodemprocedure zal de bodemrechter daarom op de voet van artikel 7:272 lid 2 BW Pro het tijdstip vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen.
- De bodemrechter zal daarbij ook op de voet van artikel 7:273 lid 3 BW Pro het tijdstip van de ontruiming vaststellen, waarbij de toewijzing van de vordering op grond van dat artikellid zal gelden als een veroordeling tot ontruiming van de woning tegen dat tijdstip.
- [appellanten] hebben een zodanig dringend spoedeisend belang bij het zelf kunnen gebruiken van de woning, dat het gerechtvaardigd is om in dit kort geding al vooruit te lopen op het oordeel van de bodemrechter door [geïntimeerde] bij wege van onmiddellijke voorziening bij voorraad nu al tot ontruiming van de woning te veroordelen.