Uitspraak
Req.nr. 5738
C.S.
elid 1 sub 1 tot en met 5 van het Burgerlijk Wetboek".
e, eerste lid, onder 3e van het Burgerlijk Wetboek, zoals door de Woningstichting subsidiair is aangevoerd.
b, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek moet, indien de verhuurder de huur opzegt, de opzegging op straffe van nietigheid de gronden vermelden die tot de opzegging hebben geleid en is een opzegging door de verhuurder op andere dan de in artikel 1623
e, eerste lid, van dat wetboek genoemde gronden, nietig.
d, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek neemt de rechter bij zijn beslissing op het verzoek van de verhuurder tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen, uitsluitend de in de opzegging vermelde gronden in aanmerking. Voorts kan krachtens artikel 1623
c, tweede lid, van dat wetboek dit verzoek tot vaststelling van dat tijdstip uitsluitend worden gebaseerd op de gronden in de opzegging vermeld.
e, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek moeten worden gevolgd.
e, eerste lid, worden vermeld.
e, eerste lid, onder 3e van het Burgerlijk Wetboek.
Voorts heeft, gelijk hiervoor onder 6 is overwogen, [het echtpaar] niet, althans niet gemotiveerd, betwist: dat, gelijk van de zijde van de Woningstichting is aangevoerd, de renovatie onder andere inhoudt dat de achtergevel van het huis wordt uitgebroken en dat daarom het niet mogelijk is de andere woningen van het blok waarvan het huis van [het echtpaar] deel uitmaakt, wel doch de woning van [het echtpaar] niet te renoveren.
e, eerste lid onder 3e, van het Burgerlijk Wetboek, dat van haar, de belangen en behoeften van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. - Onderhuurders van deze woning of een gedeelte van deze woning zijn er niet, zodat met belangen en behoeften van eventuele onderhuurders geen rekening behoeft te worden gehouden - .
blid 4 en 1623
dlid 1 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan, "indien de grond of de gronden die in de opzegging van de huur voor die opzegging wordt, respectievelijk: worden genoemd, overeenstemt, respectievelijk: overeenstemmen, met een of meer van de gronden die in artikel 1623
eeerste lid worden vermeld".
elid 1 van het Burgerlijk Wetboek (letterlijk) moeten worden gevolgd, dan toch moet de formulering van die gronden zodanig zijn, dat het voor de huurder duidelijk is, om welke opzeggingsgronden de huur wordt opgezegd.
elid 1 onder 4 van het Burgerlijk Wetboek (nog beter bij artikel 1623
elid 1 onder 5 van de oude tekst), terwijl in die volzin door het woordje "evenwel" verband wordt gelegd met de voorafgaande zinnen, waarin feitelijkheden worden gesteld over de renovatiewerkzaamheden die de Woningstichting aan haar woningen verrichtte en die kennelijk bedoeld waren, althans gemakkelijk uitgelegd konden worden, als redengeving, waarom het voorstel voor een nieuwe overeenkomst redelijk zou zijn.
elid 1 onder 3, in die zin dat het voor [het echtpaar] duidelijk moet zijn, dat het de Woningstichting om die opzeggingsgrond ging en dat die grond ook onderwerp van de procedure zal vormen.
elid 1 onder 3 niet volledig is vermeld.
elid 1 onder 3 en mede om die redenen bepaald heeft, dat de huurovereenkomst met betrekking tot die woning zal eindigen, zulks ten onrechte omdat het dringend eigen gebruik als bedoeld in artikel 1623
elid 1 onder 3 niet het gebruik op het oog heeft dat een verhuurder als de Woningstichting van een pand maakt door het verrichten van renovatiewerkzaamheden.
elid 1 onder 3 is gedacht aan gebruik in de zin van bewoning.
clid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, dat de huurovereenkomst in omstandigheden als in het onderhavige geval van rechtswege van kracht blijft, totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op het verzoek van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst en de aangevallen beschikking van de Rechtbank op 31 maart 1981 niet onherroepelijk was nu immers tegen die beschikking tot 10 mei 1981 cassatieberoep openstond en [het echtpaar] van die mogelijkheid ook werkelijk gebruik gemaakt heeft.
b, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek gestelde eis dat zij de gronden moet vermelden die tot opzegging hebben geleid, indien die opzegging niet slechts de feiten en omstandigheden omschrijft waarop zij steunt, maar bovendien nauwkeurig aangeeft onder welke van de in het eerste lid van artikel 1623
egenoemde gronden voor toewijzing van het in artikel 1623
c, tweede lid, bedoelde verzoek die feiten en omstandigheden vallen. In haar in dit onderdeel bestreden negende rechtsoverweging heeft de Rechtbank deze stelling terecht verworpen. Onderdeel a kan daarom niet tot cassatie leiden.
e, eerste lid, onder 3° - voldoende duidelijk tot uitdrukking waren gebracht. Ook dit onderdeel faalt derhalve.
e, eerste lid, onder 3°, uitsluitend zou zijn te verstaan "gebruik voor woondoeleinden". Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard. Zij vindt geen steun in de tekst van genoemde bepaling, noch in de geschiedenis van haar tot stand komen. In dit verband verdient opmerking dat het, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 30 januari 1975, NJ 1975, 334, had beslist dat onder de term "gebruik" in het eerste lid van het oude artikel 1623
eniet enkel gebruik voor woondoeleinden viel te verstaan, voor de hand zou hebben gelegen dat de wetgever zo hij niet zou hebben gewild dat de overeenkomstige term in het eerste lid van het nieuwe artikel 1623
eop overeenkomstige wijze zou worden uitgelegd, daarvan uitdrukkelijk zou hebben doen blijken. Dat is echter niet geschied. Middel II is derhalve vergeefs voorgesteld.
clid 1 iedere mogelijkheid uitsluit tot het – krachtens de artikelen 429
ken 429
pvan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - uitvoerbaarverklaren bij voorraad van een beschikking tot beëindiging van de huurovereenkomst en tot vaststelling van het tijdstip van de ontruiming. Deze stelling kan in haar algemeenheid niet worden aanvaard. Het is niet aannemelijk, en vindt ook geen steun in de parlementaire geschiedenis van de wet, dat dit lid de strekking heeft om aan de rechter elke bevoegdheid te ontnemen om zijn beschikking tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en de ontruiming moet plaatsvinden uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, óók wanneer slechts daardoor kan worden voorkomen dat de huurder, alleen of hoofdzakelijk met het doel de beëindiging van de huur uit te stellen, rechtsmiddelen tegen de beschikking aanwendt.
ken 429
pvan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet door artikel 1623
clid 1 van het Burgerlijk Wetboek uitgesloten. Ook middel III kan dus niet tot cassatie leiden;