Uitspraak
GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 28 april 2020;
- de brief van 7 oktober 2020 van de zijde van Reaal met daarbij producties 5 tot en met 9;
- de brief van 5 januari 2021 van de zijde van [appellant] met daarbij productie 4;
- de pleitnotitie van mr. Van Ittersum namens Reaal, als op de dag van de comparitie van partijen ’s ochtends door mr. De Rijk ontvangen;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen als op 21 januari 2021 op verzoek van mr. Van Ittersum via een skypeverbinding gehouden, waarbij mr. Van Ittersum vanuit zijn eigen kantoor, [naam 2] (Reaal) vanuit haar eigen werkplek en mr. De Rijk samen met de heer [appellant] vanuit het kantoor van mr. De Rijk hebben deelgenomen;
- de akte na comparitie van 9 februari 2021 van de zijde van Reaal met daarbij een productie 10 (gespreksverslag december 2015), als ter comparitie afgesproken;
- de antwoordakte na comparitie van de zijde van [appellant] van 9 februari 2021.
6.De verdere beoordeling
Voorts heeft het hof voorlopig geoordeeld dat indien het onderzoek wel gerechtvaardigd blijkt, er dient te worden bezien wat de uitkomsten in de onderhavige zaak betekenen. Voorshands heeft het hof overigens geen andere feitelijke grondslag gezien voor de beoogde terugvordering respectievelijk schadevergoeding dan hetgeen uit het observatieonderzoek zou zijn gebleken.
.
Toen heeft [appellant] aangegeven dat hij weer rijles gaf om zijn bedrijf in leven te houden en dat het ging om maximaal 2 uur per dag, en wel aan het eind van de dag.
Het verslag is volgens [naam 2] destijds toegezonden aan de toenmalige belangenbehartiger van [appellant] .
Dit valt binnen het in eerste aanleg gevorderde (en toegewezen) bedrag) van € 25.000,=.
éénjaar na het ongeval heeft betroffen.
pragmatisch regelingsvoorstel’betreft.
Uit de diverse onderdelen van het rapport van [medewerker van Personenschade] ter zake van de gestelde schadecomponenten blijkt voorshands dat op zowat alle punten sprake lijkt van ‘bewijsproblematiek’ (behalve ten aanzien van de ‘overige schadeposten’, als genoemd op pagina 8 ad € 1.166,68), mede samenhangend met onduidelijkheid aangaande relatie tussen de gestelde klachten enerzijds en het ongeval anderzijds.