ECLI:NL:GHSHE:2021:3311

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 november 2021
Publicatiedatum
3 november 2021
Zaaknummer
200.277.818_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 152 lid 2 RvArt. 163 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over niet-nakoming aanneming van werk wegens bedreiging en mishandeling

In deze civiele zaak stond centraal of de aannemer, die werkzaamheden aan de woning van de opdrachtgever uitvoerde, verplicht was deze te voltooien ondanks een incident waarbij hij werd bedreigd en mishandeld door de echtgenoot van de opdrachtgever.

De aannemer deed op 9 april 2018 aangifte van bedreiging en mishandeling, waarna de officier van justitie de zaak seponeerde wegens gebrek aan bewijs. De aannemer stopte hierna met werken. De opdrachtgever vorderde schadevergoeding wegens niet-nakoming van de aannemingsovereenkomst, terwijl de aannemer in reconventie betaling eiste voor uitgevoerde en meerwerkzaamheden en schade wegens omzetderving.

De rechtbank oordeelde dat de aannemer voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij was bedreigd en mishandeld, waardoor van hem niet redelijkerwijs kon worden gevergd de werkzaamheden te voltooien. Het hof bevestigt dit oordeel na uitgebreide bewijswaardering van getuigenverklaringen, politieprocessen-verbaal en foto’s van letsel. De vordering van de opdrachtgever wordt afgewezen en de kosten van het hoger beroep worden aan haar opgelegd.

Uitkomst: De vordering van de opdrachtgever wegens niet-nakoming wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.277.818/01
arrest van 2 november 2021
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. J.J.H. Siebelt te Best,
tegen
[geintimeerde] h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geintimeerde] ,
advocaat: mr. E. Sahin te Eindhoven,
op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 februari 2020 dat door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, is gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geintimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1.De procedure bij de rechtbank (zaak-/rolnummer C/01/339145 / HA ZA 18-688)

Voor het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep (hierna: het bestreden vonnis) en naar de tussenvonnissen van 2 januari 2019 en 22 mei 2019.

2.De procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [geintimeerde] exploiteert een eenmanszaak in afwerking van vloeren en wanden, [handelsnaam] .
b. (In ieder geval) [appellante] heeft op of omstreeks 21 februari 2018 [geintimeerde] opdracht verstrekt om voor een bedrag van € 14.000,00 verbouwingswerkzaamheden aan de woning van haar en haar man te verrichten. Daarbij ging het onder meer om de keuken, het toilet en de badkamer.
c. Op 9 april 2018 heeft de echtgenoot van [appellante] [geintimeerde] thuis opgehaald om [geintimeerde] de werkzaamheden te laten afronden.
d. [geintimeerde] heeft op 9 april 2018 aangifte gedaan van bedreiging en mishandeling door de echtgenoot van [appellante] . De officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft op 11 april 2018 de zaak tegen de echtgenoot van [appellante] geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
e. [geintimeerde] is na 9 april 2018 niet meer bij [appellante] geweest. Bij brief van 17 april 2018 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellante] [geintimeerde] gesommeerd de werkzaamheden uiterlijk 19 april 2018 te hervatten en de in die brief genoemde gebreken aan het werk te herstellen. [geintimeerde] heeft geen gehoor gegeven aan deze ingebrekestelling.
f. De rechtsbijstandsverzekeraar van [appellante] heeft daarop op 24 april 2018 opdracht gegeven aan expertisebureau ZNEB Expertise en Taxaties B.V. (hierna: ZNEB) om onderzoek te verrichten naar de door [geintimeerde] verrichte werkzaamheden. [geintimeerde] is uitgenodigd bij de expertise aanwezig te zijn, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
g. Op 5 juli 2018 heeft ZNEB haar rapport uitgebracht. Daarin wordt melding gemaakt van een aantal gebreken. ZNEB beraamt de kosten van herstel daarvan op € 22.808,00.
h. [appellante] heeft conservatoir beslag laten leggen op de woning van Bernal.
De vorderingen van [appellante] en [geintimeerde] in eerste aanleg en het oordeel van de rechtbank daarover
3.2.1.
Samengevat heeft [appellante] in de procedure bij de rechtbank na eisvermeerdering de veroordeling van [geintimeerde] gevorderd tot betaling van € 26.369,32 vermeerderd met rente en kosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [appellante] ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat [geintimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. [geintimeerde] heeft, na daartoe in gebreke te zijn gesteld, nagelaten om de (herstel)werkzaamheden te hervatten en af te ronden. [geintimeerde] is dan ook in verzuim komen te verkeren. [appellante] heeft schade geleden, omdat [geintimeerde] heeft nagelaten om de (herstel)werkzaamheden uit te voeren. De schade is te begroten op de herstelkosten, die door ZNEB zijn vastgesteld op
€ 22.808,00. Het door [appellante] na eisvermeerdering van [geintimeerde] gevorderde bedrag bestaat verder uit rente, expertisekosten, buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten.
3.2.3.
[geintimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. In reconventie heeft [geintimeerde] veroordeling van [appellante] tot betaling van € 33.700,00 gevorderd. [geintimeerde] heeft daaraan, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat voor de afgesproken werkzaamheden een prijs van
€ 14.000,00 was overeengekomen. Daarvan is door [appellante] maar een bedrag van € 7.000,00 betaald, zodat nog een bedrag van € 7.000,00 ter betaling resteert. Verder heeft [geintimeerde] meerwerk verricht. In verband daarmee vordert hij € 1.700,00. Daarnaast vordert [geintimeerde] een bedrag van € 25.000,00 wegens omzetderving, omdat hij, zo betoogt [geintimeerde] , door [appellante] in verband met de afgesproken werkzaamheden is bedreigd en hij aan die bedreiging psychische klachten heeft overgehouden, waardoor hij geruime tijd niet meer naar projecten durfde te gaan.
3.2.4.
In het tussenvonnis van 2 januari 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.
3.2.5.
In het tussenvonnis van 22 mei 2019 heeft de rechtbank [geintimeerde] opgedragen te bewijzen dat:
- hij op 9 april 2018 door de echtgenoot van [appellante] is bedreigd en mishandeld;
- er met betrekking tot de in 4.10. bedoelde werkzaamheden sprake is van meerwerk ten opzichte van de oorspronkelijke opdracht;
- hij de in 4.10. bedoelde werkzaamheden feitelijk heeft uitgevoerd.
3.2.6.
Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 22 mei 2019 overwogen dat, als [geintimeerde] erin slaagt het bewijs te leveren van de gestelde bedreiging en mishandeling, in dat geval van [geintimeerde] redelijkerwijs niet hoefde te worden gevergd dat hij de werkzaamheden aan de woning van [appellante] zou voltooien of herstellen.
3.2.7.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat [geintimeerde] erin is geslaagd te bewijzen dat hij op 9 april 2018 door de echtgenoot van [appellante] is bedreigd en mishandeld. Daarnaast concludeert de rechtbank tot afwijzing van de vordering die betrekking heeft op het door [geintimeerde] gestelde meerwerk, omdat [geintimeerde] ten aanzien daarvan niet geslaagd is in het leveren van het bewijs. Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank in conventie en in reconventie de vorderingen afgewezen, en daarbij tevens proceskostenveroordelingen uitgesproken.
Het hoger beroep van [appellante]
3.3.1.
[appellante] heeft in hoger beroep een (1) grief aangevoerd. [appellante] heeft in haar memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, naar het hof begrijpt in conventie, en opnieuw rechtdoende tot toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van de procedures in beide instanties.
3.3.2.
[geintimeerde] heeft de grief van [appellante] gemotiveerd bestreden. Voor zover van belang zal hetgeen [geintimeerde] in dat verband heeft aangevoerd in het navolgende aan de orde komen.
De grief
3.4.1.
Met haar grief, die door [appellante] als grief I is aangeduid, betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat [geintimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 9 april 2018 door de echtgenoot van [appellante] is bedreigd en mishandeld. Uit wat [appellante] ter onderbouwing van haar grief heeft aangevoerd, blijkt dat zij zich in de kern op het standpunt stelt dat de rechtbank het in dat verband beschikbare bewijs onjuist heeft gewaardeerd.
3.4.2.
De grief van [appellante] slaagt niet. De redenen daarvoor zijn de volgende.
De maatstaf voor de waardering van het bewijs en de toepassing daarvan door de rechter
3.5.
Het hof stelt vast dat door [appellante] geen grief is gericht tegen de maatstaf die de rechtbank heeft gehanteerd bij haar beoordeling van het in eerste aanleg bijgebrachte bewijs. De rechtbank overwoog daarover, onder verwijzing naar HR 16 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:182), dat voor het civiele recht niet steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar kan volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden en dat in lijn daarmee in uitspraken vaak wordt overwogen dat bepaalde feiten al dan niet ‘voldoende aannemelijk’ zijn. Het hof gaat van dezelfde maatstaf uit. Concreet betekent dit dat bij het waarderen van het beschikbare bewijs de toets is of voldoende aannemelijk is dat [geintimeerde] op 9 april 2018 door de echtgenoot van [appellante] is bedreigd en mishandeld.
De waardering van het bewijs met betrekking tot de gestelde bedreiging en mishandeling
3.6.1.
Naar het oordeel van het hof heeft [geintimeerde] voldoende aannemelijk gemaakt dat [geintimeerde] op 9 april 2018 door de echtgenoot van [appellante] is bedreigd en mishandeld. Het hof baseert dat oordeel op het volgende.
3.6.2.
Ten eerste is er de eigen verklaring van de echtgenoot van [appellante] tijdens zijn verhoor als getuige bij de rechtbank. Deze houdt onder meer het volgende in (proces-verbaal van getuigenverhoor gehouden op 23 september 2019, p. 8):
“Op 9 april 2018 ben ik naar het huis van [geintimeerde] gegaan. Ik stond buiten op hem te wachten. Toen [geintimeerde] naar buiten is gekomen en in zijn auto stapte ben ik ook in zijn auto gestapt. Ik heb toen tegen hem gezegd “nu is het genoeg geweest, wij wachten niet langer”. Ik was toen alleen. (…). [geintimeerde] zei tegen mij dat hij niet meekon naar [plaats] , omdat hij naar ander werk moest. Toen zei ik tegen hem dat hij sowieso met mij mee ging. Er zijn harde woorden geweest in de zin van “jij gaat gewoon mee” maar ik was normaal boos. [geintimeerde] had smoesjes dat hij naar ander werk moest. (…). Ik heb hem alleen vastgehouden in het begin toen hij weer uit de auto wilde stappen. Ik heb [geintimeerde] toen vastgehouden zodat hij niet uit kon stappen. (…).”
Uit deze eigen verklaring van de echtgenoot van [appellante] blijkt dat hij op 9 april 2018 een voor [geintimeerde] bedreigende situatie heeft doen ontstaan door in de auto van [geintimeerde] te gaan zitten, te verhinderen dat [geintimeerde] nog zou kunnen uitstappen door hem vast te houden, tegen hem te zeggen dat [geintimeerde] “sowieso” met hem zou meegaan en geen boodschap te hebben aan de mededeling van [geintimeerde] dat hij naar ander werk moest. Daaruit blijkt afdoende dat [geintimeerde] is gedwongen om met de echtgenoot van [appellante] mee te gaan naar het huis van [appellante] in [plaats] , en niet de vrijheid had om zelf te beslissen of hij dat wel of niet zou doen, ook wanneer [geintimeerde] normaal boos was, zoals hij verklaart.
3.6.3.
Het hof wijst verder op de verklaring die [appellante] op woensdag 11 april 2018 als getuige heeft afgelegd bij de politie (productie 15 van [appellante] ). Daarin verklaart zij onder andere:
“Afgelopen maandagmorgen omstreeks 07.00 uur werd ik wakker en ik zag dat mijn man er niet was. (…). Toen een uur of anderhalf later, hoorde ik de voordeur. Ik hoorde dat mijn man mij naar beneden riep en ik hoorde dat hij riep dat de aannemer er was. Ik vroeg: “Is die gekomen dan?” Ik hoorde dat mijn man antwoordde: “Nee, ik heb hem opgehaald.” (…). De sfeer was gespannen toen mijn man en [geintimeerde][ [geintimeerde] , toevoeging hof]
binnen kwamen. (…). Wij waren allemaal in shock toen mijn man zei: “Ik heb hem meegenomen.” Mijn dochter zei: “Je kunt hem toch niet zomaar meenemen.” Mijn man heeft [geintimeerde] gedwongen om mee te komen, dat was mij wel duidelijk. (…). Mijn man vertelde mij dat hij niet bij [geintimeerde] thuis had aangebeld, maar had gewacht tot [geintimeerde] in zijn auto stapte. Mijn man vertelde dat hij op het moment dat [geintimeerde] in zijn auto stapte, hij aan de andere zijde bij [geintimeerde] in de auto was gestapt en toen tegen [geintimeerde] had gezegd: “Nu ga jij mee naar [plaats] ”. [geintimeerde] zei dat hij andere werkzaamheden had, maar mijn man had tegen [geintimeerde] gezegd dat [geintimeerde] meeging naar [plaats] . (…). Hij pakte [geintimeerde] vast bij de arm en zei: “ [geintimeerde] , jij moet je werk hier wel afmaken. [geintimeerde] zei: Oke, oke”.
Uit deze passages uit de verklaring van [appellante] volgt dat zij op 9 april 2018 uit wat haar echtgenoot tegen haar zei en wat verder voorviel in de woning van [appellante] , heeft begrepen en ervaren dat [geintimeerde] toen niet uit vrije wil mee was gekomen naar het huis van [appellante] in [plaats] , maar dat hij daartoe was gedwongen door haar echtgenoot.
3.6.4.
Dat [geintimeerde] op 9 april 2018 onder dwang met de echtgenoot van [appellante] is meegegaan naar de woning van [appellante] wordt ook ondersteund door wat de getuige [getuige] heeft verklaard ten overstaan van de rechter. Het hof wijst op de volgende passages uit die verklaring (proces-verbaal van getuigenverhoor gehouden op 23 september 2019, p. 4/5):
“Op 9 april 2018 was ik thuis. (…). Ik ben die dag door de heer [geintimeerde] gebeld en hij vertelde mij in paniek dat hij onder bedreiging door meneer [appellante] naar [plaats] is gebracht om daar te werken. (…). Na 9 april ben ik nog een aantal dagen aan het werk geweest bij de heer en mevrouw [appellante] . (…). Later ben ik gebeld door meneer [appellante] dat er een expert moest komen om naar het werk te kijken en dat ik dus even moest wachten met de voortgang van de werkzaamheden. (…). Toen ik daar weer aan het werk was na de expertise heeft de heer [appellante] tegen mij gezegd dat hij met een broer of zwager [geintimeerde] bij de voordeur hebben opgewacht en dat ze hem met een mes tussen zijn ribben naar [plaats] hebben gebracht. (…).”
In de toelichting op haar grief betoogt [appellante] naar aanleiding van de verklaring van [getuige] dat deze op 9 april 2018 niet aanwezig was bij de gestelde bedreiging en mishandeling, zodat het niet gaat om een verklaring uit eigen waarneming, maar om een verklaring van horen zeggen. Ook trekt [appellante] met zoveel woorden de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige] in twijfel, omdat deze niet onafhankelijk zou zijn en [appellante] vermoedt dat [getuige] en [geintimeerde] het op een akkoordje hebben gegooid. Het hof verwerpt dit betoog. Het stelt daarbij voorop dat het hof begrijpt dat [appellante] met haar betoog het oog heeft op artikel 163 Rv Pro dat bepaalt dat een getuigenverklaring slechts als bewijs kan dienen, voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten. De term ‘eigen waarneming’ moet daarbij ruim worden opgevat. De verklaring van een getuige omtrent de indrukken die bij hem zijn gewekt door in zijn verklaring besproken gesprekken, houdt de vaststelling in van op zijn eigen innerlijke waarneming berustende feiten (HR 23 maart 1984, NJ 1984/568). [getuige] heeft verklaard over wat [geintimeerde] en de echtgenoot van [appellante] hem zelf (telefonisch) hebben verteld over wat er op 9 april 2018 tussen hen is voorgevallen. De verklaring van [getuige] houdt daarmee de vaststelling in van op zijn eigen innerlijke waarneming berustende feiten. De stelling dat de verklaring van [getuige] ongeloofwaardig is, wordt door [appellante] niet met concrete feiten gestaafd, terwijl zij ook geen daarop toegespitst concreet bewijsaanbod doet. Het hof gaat er daarom aan voorbij.
3.6.5.
Daarnaast wijst het hof op het door de politie opgemaakte proces-verbaal van de aangifte van bedreiging en mishandeling die [geintimeerde] op 9 april 2018 om 8:55 uur deed tegen de echtgenoot van [appellante] (productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie). De daarin opgenomen verklaring van [geintimeerde] bevat onder meer het volgende:
“Vanmorgen ging ik om 6:30 uur de deur uit bij mij thuis. (…).
Ik stapte in mijn auto aan de bestuurderszijde. Op het moment dat ik de auto wilde starten zag ik ineens dat [echtgenoot appellante] instapte en op de bijrijdersstoel ging zitten. Ik zag dat hij een groot mes in zijn rechterhand had en gelijk dreigend met het mes mijn richting op kwam. (…). Mijn eerste reactie was het mes afweren en heb met mijn linkerhand het mes proberen weg te slaan waardoor ik een snee opliep die flink bloedde. (…). [echtgenoot appellante] pakte mij met zijn linkerarm achterlangs om mijn nek vast en met zijn rechterhand hield hij het mes op mijn keel. (…). [echtgenoot appellante] zei dat ik de auto moest starten en dat we naar [plaats] gingen rijden, naar zijn woning. (…).
(…). [echtgenoot appellante] prikte met het mes tegen mijn voorhoofd en zei dat hij me dood zou maken. (…).”
Dat proces-verbaal bevat ook een opmerking van de verbalisant. Die luidt, voor zover van belang:
“Ik, verbalisant, heb foto’s gemaakt van het letsel van aangever (…).
Foto 1 betreft een foto van de snee door het afweren van het mes
Foto 2 betreft een foto van een kleine verwonding op het voorhoofd, toegebracht door de punt van het mes
Foto 3 betreft een foto van een verwonding op de borst, toegebracht door de punt van het mes”.
Door [geintimeerde] zijn in de procedure bij de rechtbank foto’s overgelegd (productie 3). Door [appellante] is niet bestreden dat dit de foto’s zijn die tijdens de aangifte door [geintimeerde] door de politie zijn gemaakt. Daarop is letsel te zien aan een vinger, op het voorhoofd en op de borst.
3.6.6.
Ook wijst het hof op het eveneens op 9 april 2018 door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (productie 4 van [geintimeerde] ten behoeve van het verhoor van getuigen gehouden op 23 september 2019). Daarin staat onder andere:
“Op 9 april 2018 ben ik, verbalisant omstreeks 11:00 uur samen met aangever [geintimeerde] naar zijn voertuig gelopen om deze te bekijken. (…). Ik heb de auto afgesloten gelaten en alleen via het raam in de auto gekeken. Ik zag dat het stuur, bestuurdersstoel en dashboard onder het bloed zat. [geintimeerde] vertelde mij dat het bloed afkomstig was van de snee in zijn vinger.”
3.6.7.
Tot slot wijst het hof op de verklaring die door [dochter] , dochter van [geintimeerde] , op 23 september 2019 bij de rechtbank is afgelegd als getuige (proces-verbaal van getuigenverhoor gehouden op 23 september 2019, p. 11). Die luidt, voor zover van belang:
“Wat ik me nog kan herinneren van 9 april 2018 is dat ik die ochtend meerdere autodeuren heb horen dichtslaan. (…). Ik weet nog wel dat mijn vader tegen mij zei dat hij was meegenomen vanuit ons huis met een mes (…). Toen mijn vader later die dag thuis is gekomen, (…), heb ik nog gevraagd wat er gebeurd was. (…). Ik heb gezien dat hij verwond was aan zijn hand. Ook heb ik gezien dat er veel bloed in de auto zat. Ik ben naar de auto gelopen om te gaan kijken. Ook heb ik gezien dat mijn vader gewond was op zijn voorhoofd, volgens mij en op ook op zijn borst. (…).”
3.6.8.
Op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen van door de rechtbank gehoorde getuigen als ook de hiervoor aangehaalde passages en foto’s uit de andere besproken bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat de echtgenoot van [appellante] [geintimeerde] op 9 april 2018 heeft bedreigd en mishandeld door hem onder dreiging met een mes te dwingen naar de woning van [appellante] te gaan en hem daarbij letsel toe te brengen. Daaraan kan wat [appellante] in het kader van haar grief heeft aangevoerd, niet afdoen. Het hof wijst op het volgende.
3.6.9.
[appellante] heeft er ten eerste op gewezen dat de aangifte van bedreiging en mishandeling die door [geintimeerde] op 9 april 2018 tegen de echtgenoot van [appellante] is gedaan, nadien is geseponeerd. In de kern betoogt zij daarover, zo begrijpt het hof, dat dit weliswaar niet betekent dat wat door [geintimeerde] in het kader van de aangifte ten nadele van haar echtgenoot is verklaard als niet betrouwbaar of niet geloofwaardig moet worden aangemerkt, maar wel dat het door [geintimeerde] verklaarde als onvoldoende wettig en overtuigend bewijs moet worden beschouwd. In dat verband wijst [appellante] er ook op dat [geintimeerde] bij monde van zijn raadsman heeft aangekondigd, samengevat, dat hij stappen zou ondernemen om de strafzaak heropend te krijgen, maar dat [geintimeerde] daaraan nooit uitvoering heeft gegeven, waaruit ook blijkt dat de gestelde bedreiging en mishandeling nooit heeft plaatsgevonden.
3.6.10.
Het hof verwerpt dit betoog. Zonder verdere verduidelijking, die ontbreekt, is dit betoog naar het oordeel van het hof niet anders te zien dan als een verkapt pleidooi voor het in deze civiele procedure alsnog toepassen van de strafrechtelijke bewijswaarderingsmaatstaf in plaats van de civielrechtelijke bewijswaarderingsmaatstaf. Toepassing van de strafrechtelijke bewijswaarderingsmaatstaf is in civiele procedures echter niet aan de orde. Zoals [appellante] in dit hoger beroep zelf ook heeft gesteld, bestaat verschil tussen de bewijswaarderingsmaatstaf in strafprocedures en die in civiele procedures. Daarbij heeft zij zich aangesloten bij de civielrechtelijke bewijswaarderingsmaatstaf die de rechtbank in rechtsoverweging 2.9. van het bestreden vonnis heeft geformuleerd. Die luidt niet dat een gesteld feit of gestelde omstandigheid wettig en overtuigend bewezen moet zijn, maar dat zo’n feit of omstandigheid voldoende aannemelijk moet zijn. Diezelfde maatstaf is in rechtsoverweging 3.5. ook tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling in deze procedure. Verder geldt, op grond van het bepaalde in artikel 152 lid 2 Rv Pro, dat de waardering van het bewijs aan de rechter is overgelaten. Daarom kan van het passeren van wat [geintimeerde] in het kader van zijn aangifte heeft verklaard op de grond dat het als onvoldoende wettig en overtuigend bewijs moet worden aangemerkt, zoals [appellante] lijkt te beogen, geen sprake zijn.
3.6.11.
Verder heeft [appellante] gewezen op de verklaring die zij over de gebeurtenissen op 9 april 2018 heeft afgelegd bij de politie. Zij betoogt dat zij heeft verklaard dat de sfeer weliswaar gespannen was, maar dat er niet is geschreeuwd, dat zij geen mes heeft gezien en ook niet heeft gezien dat [geintimeerde] gewond was, en dat er niet is geslagen. Haar betoog kan daarom niet dienen als bewijs dat haar echtgenoot [geintimeerde] heeft bedreigd en mishandeld, aldus nog steeds [appellante] .
3.6.12.
Ook dit betoog kan [appellante] niet baten. De delen van haar verklaring waarnaar [appellante] verwijst, veranderen immers niet dat uit andere, hierboven in rechtsoverweging 3.6.3. al aangehaalde delen van haar verklaring volgt dat [appellante] zelf heeft begrepen en ervaren dat [geintimeerde] onder dwang van haar echtgenoot naar haar huis was gekomen. Haar verklaring kan daarom in ieder geval dienen als bewijs voor de door [geintimeerde] gestelde bedreiging. Daarbij komt dat wat [appellante] heeft verklaard omtrent de door [geintimeerde] gestelde mishandeling steun vindt in de verklaringen en bevindingen van anderen dan [appellante] ; het hof verwijst naar wat hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.6.4. tot en met 3.6.7. is overwogen.
3.6.13.
[appellante] heeft met zoveel woorden ook nog aangevoerd dat wat [geintimeerde] op 9 april 2018 is overkomen, moet worden gezien in het licht van zowel diens nalaten om de afgesproken werkzaamheden af te ronden als de gastvrijheid die mensen van Turkse afkomst eigen is. Mensen van Turkse afkomst zullen daarom veel sneller geneigd zijn om in situaties als die in deze zaak aan de orde is, het heft in eigen handen te nemen en de aannemer thuis op te zoeken om hem te sommeren het werk direct af te ronden. Van een dreigende situatie is dan niet automatisch sprake, aldus nog steeds [appellante] .
3.6.14.
Ook dit betoog, voor zover al feitelijk juist, kan [appellante] niet baten. Het kan immers niet afdoen aan de feiten en omstandigheden die blijken uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen en andere stukken en die naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk maken dat sprake was van bedreiging en mishandeling van [geintimeerde] door de echtgenoot van [appellante] .
3.6.15.
Daarnaast betoogt [appellante] nog, zich daarbij beroepend op diverse in de toelichting op haar grief nader omschreven omstandigheden, dat [geintimeerde] langere tijd in haar woning is geweest. Zij verbindt daaraan echter geen concrete voor het hof als zodanig kenbare conclusie. Het hof gaat daarom aan dit betoog voorbij.
3.6.16.
Tot slot werpt [appellante] nog op, samengevat, dat de aangifte van [geintimeerde] op 9 april 2018 vals was. Toen [geintimeerde] tijdens zijn verhoor als getuige op 23 september 2019 voordeed hoe hij afwerend reageerde op de echtgenoot van [appellante] toen deze in de bijrijdersstoel van de auto van [geintimeerde] zat, maakte hij de afwerende reactie met zijn rechterhand, en niet met de linkerhand terwijl dat de hand was die verwond was. [geintimeerde] heeft alles in scene gezet om onder de werkzaamheden uit te komen, zo betoogt [appellante] verder nog.
3.6.17.
Het hof verwerpt ook dit betoog. Hiervoor is al overwogen dat op grond van de verklaringen van diverse getuigen als ook op grond van wat blijkt uit de andere hiervoor besproken stukken, voldoende aannemelijk is dat [geintimeerde] is bedreigd en mishandeld. Daaruit blijkt ook dat die bedreiging en mishandeling in grote lijnen zijn gebeurd op de wijze zoals door [geintimeerde] op 9 april 2018 uiteen is gezet aan de verbalisant bij de politie ten behoeve van zijn aangifte. Daarom is ook aannemelijk dat de aangifte van [geintimeerde] niet vals is. Ook is daarom aannemelijk dat [geintimeerde] de bedreiging en mishandeling niet in scene heeft gezet om onder de werkzaamheden uit te komen.
3.6.18.
Het voorgaande voert tot de conclusie dat de grief van [appellante] niet slaagt. Dit betekent ook dat het bestreden vonnis in conventie zal worden bekrachtigd. [appellante] zal in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld, op de wijze zoals opgenomen in het dictum van dit arrest.

4.De uitspraak

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van 12 februari 2020 dat door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, is gewezen met zaak- en rolnummer C/01/339145 / HA ZA 18-688 in conventie voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;
4.2.
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] op € 760,-- aan griffierecht en op € 1.442,-- aan salaris advocaat;
4.3.
verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, B.E.L.J.C. Verbunt en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 november 2021.
griffier rolraadsheer