In deze civiele zaak is hoger beroep ingesteld tegen een verstekvonnis waarin de rechtbank Oost-Brabant een gedaagde veroordeelde tot betaling van een lening en rente. De appellant vorderde betaling van twee leningen en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De gedaagde is niet verschenen in zowel eerste aanleg als hoger beroep. Het hof overweegt dat de vorderingen moeten worden toegewezen tenzij zij onrechtmatig of ongegrond zijn. De appellant wijzigde zijn eis in hoger beroep, maar deze wijziging wordt buiten beschouwing gelaten omdat de gedaagde niet tijdig is geïnformeerd.
Het hof oordeelt dat de leenovereenkomst van €30.000 gedeeltelijk ontbonden moet worden voor het onbetaalde deel van €21.850,00 en dat dit bedrag samen met wettelijke rente toegekend wordt. De vordering tot contractuele rente over dit bedrag wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, maar wettelijke rente wordt toegewezen. De vordering tot rente van 28,8% op de lening van €10.000 wordt afgewezen, omdat deze rente niet na de vervaldatum is overeengekomen.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan bewijs van aanmaning. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen gedeeltelijk toe. De proceskosten van hoger beroep worden aan de gedaagde opgelegd.