ECLI:NL:GHSHE:2021:3314

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 november 2021
Publicatiedatum
3 november 2021
Zaaknummer
200.292.790_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 130 lid 3 RvArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verstekvonnis inzake gedeeltelijke ontbinding leenovereenkomst en betaling lening

In deze civiele zaak is hoger beroep ingesteld tegen een verstekvonnis waarin de rechtbank Oost-Brabant een gedaagde veroordeelde tot betaling van een lening en rente. De appellant vorderde betaling van twee leningen en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

De gedaagde is niet verschenen in zowel eerste aanleg als hoger beroep. Het hof overweegt dat de vorderingen moeten worden toegewezen tenzij zij onrechtmatig of ongegrond zijn. De appellant wijzigde zijn eis in hoger beroep, maar deze wijziging wordt buiten beschouwing gelaten omdat de gedaagde niet tijdig is geïnformeerd.

Het hof oordeelt dat de leenovereenkomst van €30.000 gedeeltelijk ontbonden moet worden voor het onbetaalde deel van €21.850,00 en dat dit bedrag samen met wettelijke rente toegekend wordt. De vordering tot contractuele rente over dit bedrag wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, maar wettelijke rente wordt toegewezen. De vordering tot rente van 28,8% op de lening van €10.000 wordt afgewezen, omdat deze rente niet na de vervaldatum is overeengekomen.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan bewijs van aanmaning. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen gedeeltelijk toe. De proceskosten van hoger beroep worden aan de gedaagde opgelegd.

Uitkomst: Het hof vernietigt het verstekvonnis en wijst gedeeltelijk de vorderingen toe, waaronder ontbinding van de leenovereenkomst en betaling van hoofdsommen met rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.292.790/01
arrest van 2 november 2021
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. B.R. van Buul te Boxmeer,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 30 maart 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 februari 2021, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, bij verstek gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/366353 / HA ZA 21-9)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • het tegen [geïntimeerde] verleende verstek
  • de memorie van grieven met wijziging van eis
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De procedure in eerste aanleg

3.1.
In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd:
‘I. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 10.600,00, te vermeerderen met contractuele rente van 28,8% per jaar, althans 6% per jaar althans wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;
II. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 21.850,00 te vermeerderen met contractuele rente van 2% per jaar, althans wettelijke rente, vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de dag van het in deze te wijzen vonnis, en daartoe indien en voorzover nodig de overeenkomst van geldlening die betrekking had op het bedrag van
€ 30.000,00, gedeeltelijk, te weten voor het bedrag van € 21.850,00, te ontbinden;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.303,47 terzake vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure’.
3.2.
[geïntimeerde] is niet verschenen.
3.3.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank [geïntimeerde] bij verstek veroordeeld om aan [appellant] te betalen:
‘een bedrag van € 20.375,00 (…), vermeerderd met de contractuele rente van 2% per jaar over een bedrag van € 8.625,00 vanaf 16 december 2020, over een bedrag van
€ 575,00 vanaf de vervaldatum van de termijn van januari 2021, en over een bedrag van
€ 575,00 vanaf de vervaldatum van de termijn van februari 2021, en vermeerderd met de
wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over een bedrag van € 10.600,00 met ingang
van 19 oktober 2018, steeds tot de dag van volledige betaling’.
[geïntimeerde] is veroordeeld in de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen.

4.De beoordeling in hoger beroep

4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en zijn oorspronkelijke eis gewijzigd. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van een gewijzigde eis. Deze eis luidt:
‘I. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 10.600,00, te vermeerderen met contractuele rente van 28,8% per jaar, althans 6% per jaar althans wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;
II.
a. de overeenkomst van geldlening die betrekking had op het bedrag van € 30.000,00 gedeeltelijke te ontbinden, namelijk voor het onbetaald gebleven gedeelte van die vordering, te weten voor het bedrag van € 21.850,00;
b. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 21.850,00 vermeerderd met contractuele rente van 2% per jaar, althans wettelijke rente, vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg, althans vanaf 10 februari 2021 althans vanaf de dag van het in deze te wijzen arrest tot aan de dag van algehele voldoening;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.303,47 ter zake vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van alle instanties.’
Eiswijziging
4.2.
[appellant] heeft zijn eis bij memorie van grieven gewijzigd wat betreft de vordering die als II is genummerd. Deze wijziging van eis betreft een verandering of vermeerdering van de oorspronkelijke eis. Volgens art. 130 lid 3 Rv Pro, in verbinding met art. 353 lid 1 Rv Pro, is een verandering of vermeerdering van eis uitgesloten tegen een partij die niet in het geding is verschenen, tenzij de eiser of appellant de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. [geïntimeerde] is niet in het hoger beroep verschenen. Gesteld noch gebleken is dat de wijziging van eis tijdig bij exploot aan hem kenbaar is gemaakt. Het hof laat de wijziging van eis daarom buiten beschouwing en zal beoordelen of de oorspronkelijke eis toewijsbaar is, binnen het door de grieven ontsloten gebied.
Maatstaf
4.3.
[geïntimeerde] is in eerste aanleg niet verschenen. Dit brengt mee dat de vorderingen van [appellant] moeten worden toegewezen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Lening € 30.000,00
4.4.
De grieven I, II en III hebben betrekking op een lening van € 30.000,00 die [appellant] stelt op 28 juli 2016 te hebben verstrekt aan [geïntimeerde] . Een afschrift van een leenovereenkomst is in het geding gebracht als productie 1 bij de inleidende dagvaarding.
4.5.
[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] nog € 21.850,00 uit hoofde van de lening aan hem moet betalen, vermeerderde met rente. [appellant] verlangt dat, indien nodig, de overeenkomst gedeeltelijk wordt ontbonden, namelijk ‘voor het deel van € 21.850,00’.
4.6.
De rechtbank heeft slechts in totaal € 9.775,00 uit hoofde van deze lening toegewezen, vermeerderd met de contractuele rente van 2% per jaar.
4.7.
Volgens [appellant] moest [geïntimeerde] de lening, inclusief rente, aflossen in 55 termijnen van € 575,00 vanaf mei 2018. Nu gesteld noch gebleken is dat bij het niet-tijdig betalen van de termijnen het restant van de lening ineens opeisbaar wordt, is de gedeeltelijke ontbinding van de leenovereenkomst nodig voor het volledig toewijzen van de vordering van [appellant] op dit punt. Deze gedeeltelijke ontbinding maakt deel uit van de vordering die in eerste aanleg is genummerd als II.
4.8.
Er is niets gebleken dat zich verzet tegen de gedeeltelijke ontbinding van de leenovereenkomst en het toewijzen van het gevorderde bedrag van € 21.850,00. Het hof zal de leenovereenkomst daarom gedeeltelijk ontbinden en, naast het al door de rechtbank toegewezen bedrag van € 9.775,00, alsnog ook het restant van het gevorderde bedrag, dus
€ 12.075,00, toewijzen. In zoverre slaagt de grief.
4.9.
[appellant] vordert verder een contractuele rente van 2% per jaar over het bedrag van
€ 21.850,00, vanaf de dag van dagvaarding. Uit de stellingen van [appellant] en de overgelegde leenovereenkomst blijkt niet dat partijen een dergelijke rente zijn overeengekomen. Uit de stellingen van [appellant] volgt slechts dat [geïntimeerde] aan hoofdsom en rente 55 x € 575,00 aan [appellant] zou betalen, dus in totaal € 30.000,00 aan hoofdsom en € 1.625,00 aan rente.
Op dit punt heeft [appellant] te weinig gesteld voor het toewijzen van zijn vorderingen. Op dit onderdeel treft de grief geen doel.
4.10.
Het hof zal daarom de subsidiair gevorderde wettelijke rente toewijzen over het restant van € 12.075,00. Het hof laat de veroordeling tot het betalen van de contractuele rente over het door de rechtbank toegewezen bedrag van in totaal € 9.775,00 in stand, omdat daartegen niet met een incidenteel hoger beroep is opgekomen.
Lening van € 10.000,00
4.11.
Grief IV betreft een lening van € 10.000,00 die [appellant] stelt op 2 augustus 2018 te hebben verstrekt aan [geïntimeerde] . Een afschrift van de leenovereenkomst is in het geding gebracht als productie 2 bij de inleidende dagvaarding. Het bedrag van de lening met de verschuldigde rente moest volgens de tekst van deze overeenkomst uiterlijk op 18 oktober 2018 worden terugbetaald.
4.12.
[appellant] heeft primair gesteld dat [geïntimeerde] over deze lening een rente is verschuldigd van 28,8%, althans 6%, per jaar. De rechtbank heeft overwogen dat uit de dagvaarding niet volgt dat [geïntimeerde] een dergelijke rente is verschuldigd en zij heeft de wettelijke rente toegewezen over de periode vanaf 19 oktober 2018. Daartegen is grief IV gericht.
4.13.
Het hof stelt voorop dat de grief alleen betrekking heeft op de rente over de periode vanaf 19 oktober 2018.
4.14.
De tekst van de overgelegde leenovereenkomst luidt dat € 10.000,00 wordt geleend, af te lossen op 18 oktober 2018 en dat een rente van 6% is verschuldigd, te betalen bij algehele aflossing. Er is niets gesteld waaruit blijkt dat deze rente ook na 18 oktober 2018 is verschuldigd. Voor zover [appellant] deze rente vordert over de periode na 18 oktober 2018, is deze vordering dus niet toewijsbaar. De grief treft dus geen doel.
Buitengerechtelijk incassokosten
4.15.
[appellant] heeft in eerste aanleg een vergoeding gevorderd voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat gesteld noch gebleken is dat aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro heeft plaatsgevonden.
4.16.
In hoger beroep heeft [appellant] deze vordering gehandhaafd. Hij heeft echter geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank en ook niet op andere wijze toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. Het hof acht de vordering daarom niet toewijsbaar.
Slot
4.17.
De slotsom is dat het bestreden vonnis deels moet worden vernietigd. Omwille van de eenvoud zal het hof het vonnis in zijn geheel vernietigen en opnieuw beslissen op de vorderingen van [appellant] .
Proceskosten
4.18.
De proceskosten van het hoger beroep komen ten laste van [geïntimeerde] , omdat hij in het ongelijk is gesteld. Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [appellant] als volgt vast:
- explootkosten € 106,01
- griffierecht € 772,00
- salaris advocaat
€ 1.114,00(tarief II, 1 punt)
totaal € 1.992,01

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
vernietigt het bestreden vonnis;
en, opnieuw rechtdoende,
5.2.
veroordeelt [geïntimeerde] om € 10.600,00 aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 oktober 2018 tot de dag van betaling;
5.3.
ontbindt de leenovereenkomst van 28 juli 2016 voor zover deze overeenkomst betrekking heeft op het nog door [appellant] verschuldigde bedrag van € 21.850,00;
5.4.
veroordeelt [geïntimeerde] om € 21.850,00 aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met een contractuele rente van 2% per jaar over € 9.775,00 en met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over € 12.075,00, in beide gevallen vanaf 16 december 2020 tot de dag van betaling;
5.5.
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:
- € 1.760,96 tot heden voor de eerste aanleg,
- € 1.992,01,00 tot heden voor het hoger beroep;
5.6.
verklaart dit arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 november 2021.
griffier rolraadsheer