ECLI:NL:GHSHE:2021:3489

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
20-001968-16
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 51 Sr
Verwijzingen
25 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke leiding omzetbelastingfraude en valsheid in geschrift

In deze fiscale fraudezaak stond verdachte terecht voor feitelijke leiding geven aan het plegen van omzetbelastingfraude door twee vennootschappen en het valselijk opmaken van een deel van de bedrijfsadministratie van één van deze vennootschappen. Het Openbaar Ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard voor één van de tenlastegelegde feiten wegens verjaring.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Limburg voor zover het aan het oordeel van het hof was onderworpen. Het bewijs bestond uit uitgebreide administratieve documenten, digitale verkoopfacturen, ambtelijke verklaringen van de Belastingdienst en getuigenverklaringen. Uit het onderzoek bleek dat de vennootschappen onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting hadden ingediend, waardoor de fiscus een aanzienlijk nadeel leed.

De verdediging voerde onder meer aan dat het bewijs onvoldoende was vanwege het ontbreken van een complete boekhouding, en dat het nadeelbedrag lager moest zijn dan door de FIOD berekend. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de bewijsmiddelen voldoende waren om de feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof matigde de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn, die in eerste aanleg en hoger beroep ruim werd overschreden. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en het belang van normhandhaving in fiscale fraudezaken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Parketnummer : 20-001968-16
Uitspraak : 23 november 2021
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 24 juni 2016, in de strafzaak met parketnummer 03-995004-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1954,
wonende te [woonplaats] (België) en domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman aan de [adres] te [plaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte van het onder feit 4 tenlastegelegde vrijgesproken, het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 5 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
  • ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feit 1);
  • ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feit 2);
  • ‘valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging’ (feit 3) en
  • ‘opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging’ (feit 5),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde en het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging van het onder feit 5 tenlastegelegde wegens verjaring, het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, enerzijds omdat het recht tot strafvervolging ter zake van het onder feit 5 tenlastegelegde door verjaring is komen te vervallen en anderzijds omdat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Subsidiair is integrale vrijspraak van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bepleit. Meer subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd, waarbij onder meer de hoogte van het fiscaal nadeel is betwist.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder feit 4 tenlastegelegde, te weten het (feitelijk leidinggeven aan het door de rechtspersoon) opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften loonheffingen over het zevende en/of achtste tijdvak van 2008.
Tegen het vonnis is bij akte van 30 juni 2016 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover nog aan de orde in hoger beroep, tenlastegelegd dat:
1.
[B.V. 1] , verder te noemen 'de B.V.' op drie, in elk geval één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 juli 2008 tot en met 30 januari 2009 te Sittard in de gemeente Sittard - Geleen en/of in de gemeente(n) Maastricht en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de B.V. over het tweede kwartaal 2008 en/of het derde kwartaal 2008 en/of het vierde kwartaal 2008 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op/in de/het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst (digitaal) ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting ten name van de B.V. over
  • het tweede kwartaal 2008 (D-204, p. 2314 pv) in rubriek MOA+051 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 0 vermeld, althans doen of laten vermelden en/of
  • het derde kwartaal 2008 (D-204, p. 2315 pv) in de rubriek MOA+051 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 9.916 vermeld, althans doen of laten vermelden en/of
  • het vierde kwartaal 2008 (D-204, p. 2316 pv) in de rubriek MOA+051 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 25.672 vermeld, althans doen of laten vermelden,
terwijl die/dat bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting voornoemd in werkelijkheid
(telkens) hoger waren/was dan vermeld, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
2.
[B.V. 2] , verder te noemen 'de B.V.' op twee, in elk geval één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2008 tot en met 18 juli 2008 te Neeritter in de gemeente Leudal en/of in de gemeente(n) Apeldoorn en/of Maastricht, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de B.V. over het eerste kwartaal 2008 en/of het tweede kwartaal 2008 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op/in de/het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst (digitaal) ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting ten name van de B.V. over
  • het eerste kwartaal 2008 (D-205, p. 2331 pv) in rubriek MOA+051 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 0 vermeld, althans doen of laten vermelden en/of
  • het tweede kwartaal 2008 (D-205, p. 2332 pv) in de rubriek MOA+051 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 0 vermeld, althans doen of laten vermelden,
terwijl die/dat bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting voornoemd in werkelijkheid (telkens) hoger waren/was dan vermeld, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
3.
[B.V. 1] , verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 januari 2008 tot en met 25 september 2008 te Urmond in de gemeente Stein , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van de B.V., – zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen – (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, hebbende de B.V. en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die
(bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken
  • 11, in elk geval een of meer (digitale) verkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van de B.V., (telkens) gericht aan [afnemer 1] (D-058 tot en met D-068) en/of
  • 4, in elk geval een of meer (digitale) verkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van de B.V., (telkens) gericht aan [afnemer 2] (D-102 tot en met D-105) en/of
(telkens) ter zake van verkoop en/of levering van goederen en/of diensten waarvoor op die (digitale) verkoopfactu(u)r(en) voornoemd de BTW als 'verlegd' is vermeld, althans waarvoor op die (digitale) verkoopfactu(u)r(en) geen BTW is/was vermeld, terwijl in werkelijkheid (telkens) die (digitale) verkoopfactu(u)r(en) voornoemd inclusief BTW bij [afnemer 1] en/of [afnemer 2] in rekening zijn/is gebracht en/of de/het factuurbedrag(en) vermeerderd met, althans inclusief BTW zijn/is ontvangen (D-028 tot en met D-038 en D-097 tot en met D-100), zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
5.
[B.V. 3] , verder te noemen 'de B.V.', op of omstreeks 24 oktober 2008, althans in of omstreeks de maand oktober 2008, te Urmond in de gemeente Stein en/of in de gemeente Utrecht, althans in Nederland en/of te As in België, één of meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk een aan de B.V. toebehorend goed, te weten (telkens) een (gedeelte van een) vordering van de B.V. op de Rabobank te Stein en Beek (bestaande uit het saldo van de bankrekening aangehouden onder nummer [bankrekeningnummer] ), heeft onttrokken aan een op die vordering (banksaldo) gevestigd pandrecht van de (ontvanger van de) Belastingdienst, immers heeft de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) in strijd met de daarvoor krachtens de tussen de B.V. en de (ontvanger van de) Belastingdienst overeengekomen G-rekeningovereenkomst geldende voorwaarden (telkens) een deel van dat banksaldo (tot een totaalbedrag groot EURO 150.000,-- of daaromtrent (D-0712)) doen overschrijven naar de G-rekening met nummer [G-rekeningnummer] , aangehouden door [afnemer 2] , hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging ter zake van het onder feit 5 tenlastegelegde
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep ambtshalve de verjaring van het onder feit 5 tenlastegelegde, te weten het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk een eigen goed onttrekken aan een pandrecht, aan de orde gesteld.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van het onder feit 5 tenlastegelegde, omdat dat feit is verjaard.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafrecht stelt op het misdrijf opzettelijk onttrekken van een eigen goed aan een pandrecht een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden. Ingevolge het bepaalde in artikel 70, eerste lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht komt het recht tot strafvervolging voor misdrijven waarop een geldboete, hechtenis of een gevangenisstraf van niet meer dan 3 jaren is gesteld door verjaring te vervallen in zes jaren.
De vervolgingsverjaring voor het onderhavige feit bedraagt derhalve zes jaren, te rekenen vanaf de dag na die waarop het feit is gepleegd. Elke daad van vervolging stuit de verjaring.
Hoewel na elke stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt, vervalt blijkens het tweede lid van artikel 72 van Pro het Wetboek van Strafrecht evenwel het recht tot strafvordering ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
In deze strafzaak is de verjaringstermijn aangevangen op 24 oktober 2008, althans – uitgaande van de ‘in of omstreeks’ tenlastegelegde periode – op 1 december 2008. Dit betekent dat het recht tot strafvordering ter zake van het onder feit 5 tenlastegelegde – na maximaal twee maal zes jaren – in ieder geval is komen te vervallen op 1 december 2020.
Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat het recht op strafvervolging, nu twaalf jaar is verstreken sinds de dag na die waarop het onder feit 5 tenlastegelegde zou zijn gepleegd, is vervallen door verjaring. Om die reden zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging ter zake van het onder feit 5 tenlastegelegde.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging ter zake van de overige feiten
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Dit verweer faalt reeds omdat naar bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder andere het arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.21) een overschrijding van de redelijke termijn – waaronder de inzendingstermijn mede is begrepen – niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. Het hof zal daartoe ook overgaan, zoals hierna zal worden overwogen. Het verweer dat op deze grond het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wordt dan ook verworpen. Ook overigens is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte, voor zover die vervolging ziet op het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
[B.V. 1] , verder te noemen 'de B.V.', op drie tijdstippen in de periode van 18 juli 2008 tot en met 30 januari 2009 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van de B.V. over het tweede kwartaal 2008 en het derde kwartaal 2008 en het vierde kwartaal 2008, onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft de B.V. telkens opzettelijk in de bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst digitaal ingeleverde aangiften omzetbelasting ten name van de B.V. over
  • het tweede kwartaal 2008 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 0 vermeld, en
  • het derde kwartaal 2008 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 9.916 vermeld, en
  • het vierde kwartaal 2008 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 25.672 vermeld,
terwijl die bedragen aan te betalen omzetbelasting voornoemd in werkelijkheid telkens hoger waren dan vermeld, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
2.
[B.V. 2] , verder te noemen 'de B.V.', op twee tijdstippen in de periode van 25 april 2008 tot en met 18 juli 2008 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van de B.V. over het eerste kwartaal 2008 en het tweede kwartaal 2008, onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft de B.V. telkens opzettelijk in de bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst digitaal ingeleverde aangiften omzetbelasting ten name van de B.V. over
  • het eerste kwartaal 2008 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 0 vermeld, en
  • het tweede kwartaal 2008 als te betalen omzetbelasting een saldo groot EURO 0 vermeld,
terwijl die bedragen aan te betalen omzetbelasting voornoemd in werkelijkheid telkens hoger waren dan vermeld, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
3.
[B.V. 1] , verder te noemen 'de B.V.', in de periode van 7 januari 2008 tot en met 25 september 2008 te Urmond in de gemeente [geboorteplaats] , opzettelijk een deel van de bedrijfsadministratie van de B.V., – zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, hebbende de B.V. toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt
  • 11 digitale verkoopfacturen, telkens gericht aan [afnemer 1] en
  • 4 digitale verkoopfacturen, telkens gericht aan [afnemer 2] ,
telkens ter zake van verkoop en/of levering van goederen en/of diensten waarvoor op die digitale verkoopfacturen voornoemd de BTW als 'verlegd' was vermeld, terwijl in werkelijkheid telkens verkoopfacturen inclusief BTW bij [afnemer 1] en [afnemer 2] in rekening zijn gebracht en de factuurbedragen vermeerderd met, althans inclusief BTW zijn ontvangen, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Eindhoven, op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 45065, gesloten in augustus 2011, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 3501.
1.
Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 12 augustus 2011, betreffende de besloten vennootschap [B.V. 1] , [KvK-nummer B.V. 1] , dossierpagina’s 369 t/m 371 (V05-01), voor zover inhoudende:

Rechtspersoon

[RSIN B.V. 1]
Rechtsvorm: Besloten Vennootschap
Statutaire naam: [B.V. 1] (…)

Oude handelsnamen zoals vastgelegd sinds 01-10-1993

Handelsnaam: [B.V. 1]
Datum ingang: 12-01-2005
Datum einde: 12-02-2010

Oude vestigingsadressen zoals vastgelegd sinds 01-10-1993 (…)

Adres: [bedrijfsadres B.V. 1]
Datum ingang: 01-07-2006 (…)

Oude bedrijfsomschrijvingen zoals vastgelegd sinds 01-10-1993 (…)

Datum ingang: 01-07-2006
Bedrijfsomschrijving: (…) Detachering, uitzenden (…).

Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) rechtspers.

Naam: [bestuurder 1, tevens zoon van verdachte] / 5
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum] , [geboorteplaats]
Adres: [adres]
Infunctietreding: 06-01-2005
Titel: Directeur
Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd
Uit functie: 01-12-2008
Naam: [bestuurder 2, tevens zoon van verdachte] / 6
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum] , [geboorteplaats]
Adres: [adres]
Infunctietreding: 06-01-2005
Titel: Algemeen directeur
Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd
Uit functie: 01-12-2008
Naam: [verdachte] / 7
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum in het jaar] 1954, [geboorteplaats]
Adres: [adres]
Infunctietreding: 01-12-2008
Titel: Directeur
Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd
Uit functie: 23-04-2010
2.
Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 12 augustus 2011, betreffende de besloten vennootschap [B.V. 2] , [KvK-nummer B.V. 2] , dossierpagina’s 374 t/m 378 (V06-01), voor zover inhoudende:

Rechtspersoon

[RSIN B.V. 2]
Rechtsvorm: Besloten Vennootschap (…)
Handelsnaam: [B.V. 2]
Startdatum onderneming: 11-11-2002

Oude bedrijfsomschrijvingen zoals vastgelegd sinds 01-10-1993 (…)

Datum ingang: 26-03-2007
Bedrijfsomschrijving: Het verrichten van uitzendwerkzaamheden en het detacheren van technisch personeel. (…)

Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) rechtspers. (…)

Enig aandeelhouder:
Naam: [echtgenote van verdachte] / 7
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum] , [geboorteplaats]
Adres: [adres]
Enig aandeelhouder sedert: 26-03-2007
Uit functie: 01-10-2008 (…)

Bestuurder(s):

Naam: [verdachte] / 8
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum in het jaar] , [geboorteplaats]
Adres: [adres]
Infunctietreding: 26-03-2007
Titel: Algemeen directeur
Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd
Uit functie: 01-10-2008
3.
Aangiften omzetbelasting ten name van [B.V. 1] over de aangiftetijdvakken tweede kwartaal van het jaar 2008 (DOC-0204), derde kwartaal van het jaar 2008 (DOC-0204) en vierde kwartaal van het jaar 2008 (DOC-0204), respectievelijke dossierpagina’s 2314, 2315 en 2316, welke aangiften aan dit arrest zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
4.
Ambtsedige verklaring omzetbelasting, opgemaakt door [belastingambtenaar 1] , ambtenaar Belastingdienst/Centrale administratie, d.d. 25 januari 2010, met bijlagen, dossierpagina’s 2304 t/m 2321 (DOC-0204), voor zover inhoudende als verklaring van [belastingambtenaar 1] :
(dossierpagina 2304)
De ondergetekende, [belastingambtenaar 1] , als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale
administratie, verklaart op de eed bij de aanvang zijn bediening afgelegd, ten behoeve van
[B.V. 1], [bedrijfsadres B.V. 1] , [OB-nummer B.V. 1] (hierna te noemen belastingplichtige):
- dat belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte omzetbelasting over de tijdvakken 1e kwartaal 2007 t/m 3e kwartaal 2009. (…)
- dat over de tijdvakken 1e kwartaal 2007 t/m 3e kwartaal 2009 de aangiften omzetbelasting betreffende belastingplichtige elektronisch zijn binnengekomen (…) met behulp van een softwarepakket (1e kwartaal 2007 t/m 4e kwartaal 2008) op de computersystemen van de Belastingdienst door tussenkomst van [accountantskantoor] B.V. te [plaats] . (…)
(dossierpagina 2305)
Datum/tijdstip ontvangen aangiften:
Ond. Ref.nr Tijdvak Ontvangen op
(…)
[OB-nummer B.V. 1] 4e kw. 2008 30-01-2009 16:33 u. via software
[OB-nummer B.V. 1] 3e kw. 2008 28-10-2008 08:33 u. via software
[OB-nummer B.V. 1] 2e kw. 2008 18-07-2008 16:17 u. via software
(dossierpagina 2321)
vertaal-tabel (…)
MOA 051 totaal omzetbelasting
052 voorbelasting
054 kleine ondernemersregeling
055 schatting vorige aangifte(n)
056 schatting deze aangifte
050 totaal te betalen/terug te vragen omzetbelasting
5.
Aangiften omzetbelasting ten name van [B.V. 2] over de aangiftetijdvakken eerste kwartaal van het jaar 2008 (DOC-0205) en tweede kwartaal van het jaar 2008 (DOC-0205), respectievelijke dossierpagina’s 2331 en 2332, welke aangiften aan dit arrest zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
6.
Ambtsedige verklaring omzetbelasting, opgemaakt door [belastingambtenaar 1] , ambtenaar Belastingdienst/Centrale administratie, d.d. 26 januari 2010, met bijlagen, dossierpagina’s 2322 t/m 2334 (DOC-0205), voor zover inhoudende als verklaring van [belastingambtenaar 1] :
(dossierpagina 2322)
De ondergetekende, [belastingambtenaar 1] , als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratie, verklaart op de eed bij de aanvang zijn bediening afgelegd, ten behoeve van
[B.V. 2], [bedrijfsadres 2] , [OB-nummer B.V. 2] (hierna te noemen belastingplichtige):
- dat belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte omzetbelasting over de tijdvakken 1e kwartaal 2007 t/m 2e kwartaal 2009 en juli 2009 t/m november 2009. (…)
- dat over de tijdvakken 1e kwartaal 2007 t/m 2e kwartaal 2008 de aangiften omzetbelasting betreffende belastingplichtige elektronisch zijn binnengekomen via op de computersystemen van de Belastingdienst.
(dossierpagina 2323)
Datum/tijdstip ontvangen aangiften:
Ond. Ref.nr Tijdvak Ontvangen op
[OB-nummer B.V. 2] 2e kw. 2008 18-07-2008 13:30 u. via internet
[OB-nummer B.V. 2] 1e kw. 2008 25-04-2008 12:29 u. via internet
(dossierpagina 2334)
vertaal-tabel (…)
MOA 051 totaal omzetbelasting
052 voorbelasting
054 kleine ondernemersregeling
055 schatting vorige aangifte(n)
056 schatting deze aangifte
050 totaal te betalen/terug te vragen omzetbelasting
7.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 7 augustus 2009, bijlage 1 bij het aanvangsproces-verbaal d.d. 2 maart 2010, dossierpagina’s 1156 t/m 1178 (AH-001), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
(dossierpagina 1172)
Ik heb een onderzoek bij [afnemer 1] ingesteld over de aanvaardbaarheid van de teruggevraagde voorbelasting. Op 17 september 2008 heb ik (…) met [getuige 4] van [afnemer 1] gesproken. [getuige 4] was de feitelijk leidinggevende bij [afnemer 1] .
(dossierpagina 1173)
Ik ben op 31 oktober 2008 en op 12 februari 2009 terug geweest naar [afnemer 1] om de onderzoeksgegevens te actualiseren, zodat ik de gegevens over het jaar 2008 compleet had. Bij die bezoeken heb ik alle facturen over het jaar 2008, van [B.V. 2] en van [B.V. 1] aan [afnemer 1] bekeken. (…) Op mijn verzoek heeft [getuige 4] voornoemde bescheiden, facturen met manurenlijsten en de werknemerslijst, overhandigd voor nader onderzoek.
De kopieën van voornoemde bescheiden ten name [B.V. 2] en [B.V. 1] overhandig ik aan u voor nader onderzoek.
(
dossierpagina 1175)
Op de dag van het boekenonderzoek op 14 oktober 2008 ben ik met [belastingambtenaar 2] naar het bedrijf [B.V. 1] , gevestigd op het adres [bedrijfsadres B.V. 1] , gegaan. Wij troffen daar [verdachte] (…).
Al snel kwam ter sprake het onderwerp omzetbelasting zoals vermeld op de door [B.V. 1] uitgeschreven facturen. Wij hebben [verdachte] gevraagd waarom wél op de facturen van [B.V. 1] BTW werd uitgeschreven, maar dat volgens de aangiften omzetbelasting van [B.V. 1] , bijna niets werd aangegeven. Hij vertelde dat men vergeten was dat in de aangiften omzetbelasting te vermelden (…). Hij gaf aan dat ook niet alle voorbelasting was geclaimd en dat er niet veel verschil zou kunnen zitten tussen deze voorbelasting en de verschuldigde omzetbelasting.
(dossierpagina 1176)
[verdachte] zei dat het mogelijk was om alle verkoopfacturen digitaal te krijgen. Hij had zelf deze facturen op een USB-stick staan. De verkoopfacturen zijn middels deze USB-stick op mijn computer gezet. (…) In zijn totaliteit heb ik van [verdachte] 616
(het hof begrijpt: 627)verkoopfacturen ten name van [B.V. 1] digitaal gekregen over de periode 7 januari 2008 tot en met 6 oktober 2008 (…).
8.
Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 17 augustus 2009, met bijlage, dossierpagina’s 1179 t/m 1186 (AH-002), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] :
(dossierpagina 1179)
Op vrijdag 7 augustus 2009 werd door ons verbalisanten als getuige gehoord [getuige 1] , ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam op kantoor [plaats] . (…)
Tijdens het verhoor overhandigde [getuige 1] ons bescheiden ten behoeve van het onderzoek. Deze bescheiden werden door ons verbalisanten in beslag genomen (…).
Het betreffen hier de volgende bescheiden:
(…)
D-0003 t/m D-0017 Vijftien (kopieën) facturen ten name van [B.V. 2] aan [afnemer 1] ;
D-0018 t/m D-0052 Vijfendertig (kopieën) facturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 1] met bijbehorende manurenlijsten; (…)
9.
Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 19 augustus 2009, dossierpagina 1187 (AH-003), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op woensdag 12 augustus 2009 ontving ik op het belastingkantoor te Maastricht van [getuige 1] , werkzaam bij de Belastingdienst [provincie] , kantoor [plaats] , een Cd-rom met daarop de digitale gegevens van de verkoopfacturen 2008 van [B.V. 1] . (…)
Ik zag dat er op deze Cd-rom in totaal 627 facturen in een digitale versie bevonden. Ik zag dat nagenoeg alle facturen opeenvolgend genummerd waren, beginnend met 08-001 op de datum 07-01-2008 en eindigend op 616 op de datum 06-10-2008.
10.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2009, met bijlage, dossierpagina’s 1193 t/m 1203 (AH-006), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 5] :
(dossierpagina 1193)
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek onder de naam Cleveland hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden, waaronder bij de locaties [plaats] en [plaats] van het bedrijf
[afnemer 2] .
(dossierpagina’s 1194 t/m 1203)
Op donderdag 8 oktober 2009 zijn door de Rijksrecherche aan de Belastingdienst / FIOD-ECD, voor de Belastingdienst / FIOD-ECD relevante stukken, vanuit de inbeslaggenomen goederen van de bovengenoemde locaties, originele bescheiden ter beschikking gesteld.
De documenten die als relevante bescheiden door de Belastingdienst / FIOD-ECD zijn geselecteerd en verstrekt, zijn vermeld op het aan het proces-verbaal gehechte ‘Overzicht documenten FIOD ECD”. Op deze lijst staat onder meer vermeld:
  • 57 facturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 2] over het jaar 2008;
  • 17 facturen ten name van [B.V. 2] aan [afnemer 2] over het jaar 2008.
11.
Proces-verbaal van vordering uitlevering ter inbeslagneming d.d. 10 maart 2011, met bijlagen, dossierpagina’s 1687 t/m 1690 (AH-098), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(dossierpagina’s 1689 en 1690)
Op donderdag 10 maart 2011 heb ik, samen met collega [verbalisant 7] , in [plaats] voorwerpen in beslag genomen van de betrokkene [afnemer 1] . (…)
De inbeslaggenomen voorwerpen zijn vermeld op het aan het proces-verbaal gehechte “bewijs inbeslagneming”. Op dit bewijs staat onder meer vermeld:
  • rode ordner betaalde facturen 2008 wk 1 t/m 14
  • rode ordner betaalde facturen 2008 wk 15 t/m 23
  • rode ordner betaalde facturen 2008 wk 24 t/m 38
  • rode ordner betaalde facturen 2008 wk 39 t/m 52
12.
Proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 31 mei 2010, met bijlagen, dossierpagina’s 1328 t/m 1337 (AH-032a), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 6] :
(dossierpagina 1328)
Op 28 mei 2010 vond een doorzoeking plaats in het bedrijfspand aan de [bedrijfsadres B.V. 1] , in de strafzaak contra de navolgende (rechts)perso(o)n(en):
- [verdachte] (…)
  • [B.V. 1]
  • [B.V. 2] (…)
(dossierpagina’s 1329 en 1330)
De officier van justitie heeft de goederen en bescheiden in beslag genomen welke
zijn vermeld op de aan het proces-verbaal gehechte ‘Lijst inbeslaggenomen goederen’. Op deze lijst staat onder meer vermeld: een USB-schijf Lacie, IBN-code A-019.
13.
Proces-verbaal van ambtshandeling bedrijfsactiviteiten [verdachte] BV’s d.d. 28 juni 2011, dossierpagina’s 1385 t/m 1398 (AH-045), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] :
(dossierpagina 1386)
(…) Op een USB-schijf, in beslag genomen onder de code A-019, zijn diverse digitale bestanden aangetroffen.
In deze bestanden bevinden zich een aantal digitale mappen met de bestandsnamen ‘ [B.V. 1] ’, ‘ [B.V. 2] BV’, ‘ [B.V. 4] ’ en ‘ [B.V. 3] ’. De inhoud van deze mappen betreft administratie van de betreffende bedrijven zoals verkoopfacturen, correspondentie, en manurenlijsten van de 4 hiervoor genoemde BV’s. (…)
(dossierpagina 1387)
Onderzoek op USB-schijf aangetroffen verkoopfacturen
In de eerdergenoemde digitale mappen van [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 4] en [B.V. 3] die zijn aangetroffen op dezelfde USB-schijf zijn tevens een groot aantal bestanden aangetroffen die gegevens van verkoopfacturen
bevatten.
In iedere digitale map van bovengenoemde BV’s is een onderliggende map, genoemd ‘verkoop’, met digitale verkoopfacturen aangetroffen van de betreffende BV. Het
betreffen Word-documenten waarop de volledige verkoopfactuur is te zien met uitzondering van de gegevens van de betreffende afzender bovenaan de factuur. (…)
Aan de naam van de digitale map waaruit de betreffende verkoopfactuur afkomstig is, is af te leiden welke BV de vermoedelijke afzender van de verkoopfactuur is. (…)
14.
Overzicht facturen [B.V. 1] aan [afnemer 1] waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht, periode 2e, 3e en 4e kwartaal 2008, dossierpagina 3184 (DOC-0551), welk overzicht aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
15.
Overzicht facturen [B.V. 1] aan [afnemer 2] waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht, periode 2e, 3e en 4e kwartaal 2008, dossierpagina 3185 (DOC-0552), welk overzicht aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
16.
Overzicht facturen [B.V. 1] aan overige debiteuren waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht, periode 2e, 3e en 4e kwartaal 2008, dossierpagina’s 3162 t/m 3164 (DOC-0542), welk overzicht aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
17.
Overzichtsproces-verbaal, zaakdossier 1, d.d. 18 augustus 2011, dossierpagina’s 37 t/m 61 (OPV-1), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 8] :
(dossierpagina 41)
2.5.1 Aangiften omzetbelasting [B.V. 1]
Aan de hand van het overzicht “Verloop OB 2008” van [B.V. 1] , zie D-0144, zien wij, verbalisanten, dat door [B.V. 1] de navolgende omzetbelasting als
verschuldigd werd aangegeven voor het 2e, 3e en 4e kwartaal 2008:
(dossierpagina 42)
2e kwartaal 2008
€ --
3e kwartaal 2008
€ 9.916,00
4e kwartaal 2008
€ 25.672,00
Totaal OB
€ 35.588,00
(…)
2.5.5 Onderzoek facturen aan [afnemer 1]
(…) Op 14 oktober 2008 vond een boekenonderzoek plaats bij [B.V. 1] , gevestigd op de [bedrijfsadres B.V. 1] . Tijdens dit onderzoek ontving [getuige 1] uit handen van [verdachte] digitaal 627 verkoopfacturen van [B.V. 1] over de periode van 7 januari 2008 tot en met 6 oktober 2008.
(dossierpagina 43)
Door ons, verbalisanten, zijn de kopiefacturen ten name van [B.V. 1] aan
[afnemer 1] over het jaar 2008, zie D-0018 tot en met D-0052, welke door de Belastingdienst ter beschikking gesteld werden ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek (…) nader bekeken.
Door ons zijn deze kopiefacturen vergeleken met de originelen, welke middels een vordering artikel 81 Algemene Pro wet inzake rijksbelasting in beslag zijn genomen bij [afnemer 1] .
Wij zagen dat de kopiefacturen identiek aan de originelen zijn. Tijdens het vergelijken zagen wij dat twee facturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 1] niet voorkwamen bij de kopiefacturen ter beschikking gesteld door de Belastingdienst. Het betreffen de facturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 1] , factuurnummer 699 en 1020, zie D-0553 en D-0554.
De gegevens van de onderhavige facturen aan [afnemer 1] zijn verwerkt in een overzicht, zie
D-0551. (…)
Wij zien in dit overzicht, zie D-0551, dat [B.V. 1] in deze facturen omzetbelasting in rekening brengt aan [afnemer 1] , te weten in het:
2e kwartaal 2008
€ 63.536,56
3e kwartaal 2008
€ 27.012,90
4e kwartaal 2008
€ 12.724,46
Totaal OB
€ 103.273,92
(…)
2.5.6 Onderzoek facturen aan [afnemer 2]
De facturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 2] over het jaar 2008, welke werden aangetroffen in de administratie van [afnemer 2] , zijn door ons, verbalisanten, bekeken.
Wij zien dat op 22 facturen [B.V. 1] omzetbelasting in rekening brengt aan [afnemer 2] , zie D-0080 tot en met D-0101.
De gegevens van de 22 facturen met omzetbelasting zijn verwerkt in een overzicht, zie D-0552.
Wij zien in dit overzicht dat [B.V. 1] in deze facturen omzetbelasting in rekening brengt aan [afnemer 2] , te weten in het:
2e kwartaal 2008
€ 21.850,00
3e kwartaal 2008
€ 15.169,60
4e kwartaal 2008
€ 35.720,00
Totaal OB
€ 72.739,60
(dossierpagina 44)
2.5.7 Onderzoek facturen aan overige ondernemingen
Door ons, verbalisanten, werden verkoopfacturen bekeken welke zijn aangetroffen op een USB-schijf (IBN-nummer A-19) in de directory “ [B.V. 1] BV\VERKOOPFACTUREN2008”. Wij zagen dat bij het merendeel van de verkoopfacturen de verleggingsregeling werd toegepast.
De gegevens van de verkoopfacturen waarin omzetbelasting in rekening is gebracht in het 2e, 3e en 4e kwartaal van 2008, aan andere ondernemingen dan [afnemer 1] en [afnemer 2] , zijn verwerkt in een overzicht, zie D-0542.
In dit overzicht zien wij dat [B.V. 1] in facturen omzetbelasting in rekening brengt aan diverse ondernemingen, te weten in het:
2e kwartaal 2008
€ 8.213,31
3e kwartaal 2008
€ 11.758,69
4e kwartaal 2008
€ 12.857,65
Totaal OB
€ 32.829,65
2.5.8 Totaal overzicht
Door ons, verbalisanten, werd een berekening gemaakt aan de hand van bovenstaande gegevens. Door [B.V. 1] is voor een bedrag van tenminste
€ 173.255,17te weinig als verschuldigde omzetbelasting aangegeven en afgedragen. Zie onderstaande berekening:
2008
OB aan
[afnemer 1] :
OB aan
[afnemer 2]
:
OB aan
overigen:
Totaal OB in
rekening
gebracht:
Aangegeven
OB in
aangifte:
Nadeel OB:
2e kw.
€ 63.536,56
€ 21.850,00
€ 8.213,31
€ 93.599,87
€ 0,00
€ 93.599,87
3e kw.
€ 27.012,90
€ 15.169,60
€ 11.758,69
€ 53.941,19
€ 9.916,00
€ 44.025,19
4e kw.
€ 12.724,46
€ 35.720,00
€ 12.857,65
€ 61.302,11
€ 25.672,00
€ 35.630,11
Totaal
€103.273,92
€ 72.739,60
€ 32.829,65
€ 208.843,17
€ 35.588,00
€ 173.255,17
18.
Overzicht facturen [B.V. 2] aan [afnemer 1] waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht, periode 1e en 2e kwartaal 2008, dossierpagina 3230 (DOC-0583), welk overzicht aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
19.
Overzicht facturen [B.V. 2] aan [afnemer 2] waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht, periode 1e kwartaal 2008, dossierpagina 3230 (DOC-0583), welk overzicht aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
20.
Overzicht facturen [B.V. 2] aan overige debiteuren waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht, periode 1e en 2e kwartaal 2008, dossierpagina’s 3252 en 3253 (DOC-0593), welk overzicht aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
21.
Overzichtsproces-verbaal, zaakdossier 2, d.d. 18 augustus 2011, dossierpagina’s 62 t/m 78 (OPV-2), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 8] :
(dossierpagina 66)
2.5.1 Aangiften omzetbelasting [B.V. 2]
Aan de hand van het overzicht “Verloop OB 2008” van [B.V. 2] , (…) zien wij, verbalisanten, dat door [B.V. 2] voor het tijdvak 1e en 2e kwartaal 2008 een nihil aangifte is gedaan.
(dossierpagina 67)
2.5.5 Onderzoek facturen aan [afnemer 1]
Door ons, verbalisanten, werden de facturen ten name van [B.V. 2] aan [afnemer 1] over het jaar 2008, (…) welke middels een vordering artikel 81 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen, zie AH-098, in beslag zijn genomen bij [afnemer 1] , nader bekeken.
De gegevens van de onderhavige facturen zijn verwerkt in een overzicht, zie D-0583.
Wij zien in dit overzicht dat [B.V. 2] in deze facturen omzetbelasting in rekening brengt aan [afnemer 1] , te weten in het:
1e kwartaal 2008
€ 35.729,62
2e kwartaal 2008
€ 12.223,33
Totaal OB
€ 47.952,95
(dossierpagina 68)
2.5.6 Onderzoek facturen aan [afnemer 2]
De facturen ten name van [B.V. 2] aan [afnemer 2] over het jaar 2008, welke werden aangetroffen in de administratie van [afnemer 2] , zie AH-006, zijn door ons, verbalisanten, bekeken. Op 2 facturen van [B.V. 2] zien wij dat de omzetbelasting in rekening wordt gebracht aan [afnemer 2] (…).
De gegevens van de facturen met omzetbelasting zijn verwerkt in een overzicht, zie D-0583.
Wij zien in dit overzicht dat [B.V. 2] in deze 2 facturen omzetbelasting in rekening brengt aan [afnemer 2] , te weten in het:
1e kwartaal 2008
€ 25.270,00
Totaal OB
€ 25.270,00
(…)
2.5.7 Onderzoek facturen aan overige ondernemingen
Door ons, verbalisanten, werden de verkoopfacturen bekeken welke zijn aangetroffen op een USB-schijf (IBN-nummer A-19) in de directory “C\ [B.V. 2] \VERKOOP”. Hierin troffen wij, verbalisanten, de (digitale) verkoopfacturen aan van [B.V. 2] over het jaar 2008. (…)
Op een deel van deze verkoopfacturen werd omzetbelasting in rekening gebracht aan de
betreffende ondernemingen. De gegevens van de verkoopfacturen van [B.V. 2]
waarbij omzetbelasting in rekening werd gebracht zijn verwerkt in een
overzicht, zie D-0593. (…)
Wij zien in dit overzicht dat [B.V. 2] in deze verkoopfacturen
omzetbelasting in rekening brengt aan diverse ondernemingen, te weten in het:
1e kwartaal 2008
€ 17.475,94
2e kwartaal 2008
€ 1.356,71
Totaal OB
€ 18.832,65
2.5.8 Totaaloverzicht
Door ons, verbalisanten, werd een berekening gemaakt aan de hand van bovenstaande gegevens. Door [B.V. 2] is voor een bedrag van tenminste
€ 92.055,60te weinig als verschuldigde omzetbelasting aangegeven en afgedragen. Zie onderstaande berekening:
2008
OB aan
[afnemer 1] :
OB aan
[afnemer 2]
:
OB aan
overigen:
Totaal OB in
rekening
gebracht:
Aangegeven
OB in
aangifte:
Nadeel OB:
1e kw.
€ 35.729,62
€ 25.270,00
€ 17.475,94
€ 78.475,56
€ 0,00
€ 78.475,56
2e kw.
€ 12.223,33
€ 1.356,71
€ 13.580,04
€ 0,00
€ 13.580,04
Totaal
€ 47.952,95
€ 25.270,00
€ 18.832,65
€ 92.055,60
€ 0,00
€ 92.055,60
22.
Proces-verbaal inzake onderzoek facturen [B.V. 1] aan [afnemer 1] d.d. 8 februari 2010, dossierpagina’s 1269 en 1270 (AH-0017), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 8] :
(dossierpagina 1269)
Op vrijdag 7 augustus 2009 (…) overhandigde [getuige 1] de verhorende opsporingsmedewerkers van de FIOD-ECD (…) 35 kopieën van inkoopfacturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 1] .
Op woensdag 12 augustus 2009 ontving ik, verbalisant [verbalisant 2] , op het belastingkantoor te [plaats] van [getuige 1] een CD-rom met daarop de digitale gegevens van de verkoopfacturen 2008 van [B.V. 1] . (…)
Wij verbalisanten vergeleken vervolgens de kopie-inkoopfacturen ten name van [B.V. 1]
aan [afnemer 1] met de digitale verkoopfacturen van [B.V. 1]
.
(dossierpagina 1270)
Wij zagen dat tussen de 627 digitale verkoopfacturen van [B.V. 1] zich 11 facturen bevonden die identiek waren aan de facturen zoals door [getuige 1] aangetroffen bij het onderzoek bij [afnemer 1] , met die uitzondering dat op de digitale facturen géén omzetbelasting was vermeld doch de aanduiding “BTW verlegd”.
Op de 11 kopie-inkoopfacturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 1] zagen wij dat door [B.V. 1] voor een totaalbedrag van € 24.004,35 aan omzetbelasting werd gefactureerd.
23.
Proces-verbaal inzake onderzoek facturen bedrijven [verdachte] c.s. aan [afnemer 2] d.d. 23 maart 2010, dossierpagina’s 1271 t/m 1280 (AH-0018), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :
(dossierpagina 1277)

7 [B.V. 1]

Wij telden in totaal 57 facturen ten name van [B.V. 1] aan [afnemer 2] , welke volgens de vermelde factuurdata zijn opgemaakt in de periode van 28 april 2008 tot en met 22 december 2008.
(dossierpagina’s 1278 en 1279)
4 van de 57 facturen (…) werden door ons vergeleken met de digitale facturen afkomstig van [B.V. 1] , door ons, verbalisanten geboekt onder nummer D-0102 tot en met D-0105. Wij zagen dat deze 4 facturen nagenoeg identiek waren aan de digitale versie met uitzondering dat de BTW bij de digitale facturen als verlegd staat weergegeven. Hierdoor klopt de berekening op digitale factuur, afkomstig van [B.V. 1] niet meer.
24.
Proces-verbaal metadata facturen Object A d.d. 9 mei 2011, met bijlagen, dossierpagina’s 1728 t/m 1737 (AH-0105), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 10] :
(dossierpagina 1728)
[verbalisant 2] heeft mij, verbalisant, op 21 maart 2011 een cd overhandigd die door een controleambtenaar van de Belastingdienst is verstrekt. (…) Volgens [verbalisant 2] betreft het onder meer de volgende Word-documenten op deze cd:
Faktuur 216 [afnemer 1] BTW.doc
Faktuur 240 [afnemer 1] .doc
Faktuur 261 [afnemer 2] BTW.doc
Faktuur 268 [afnemer 1] .doc
Faktuur 294 [afnemer 1] .doc
Faktuur 310 [afnemer 1] .doc
Faktuur 326 [afnemer 1] .doc
Faktuur 342 [afnemer 1] .doc
Faktuur 368 [afnemer 1] .doc
Faktuur 397 [afnemer 1] .doc
Faktuur 399 [afnemer 2] BTW.doc
Faktuur 432 [afnemer 1] .doc
Faktuur 465 [afnemer 1] .doc
Faktuur 488 [afnemer 2] .doc
Faktuur 489 [afnemer 2] .doc
Faktuur 490 [afnemer 2] .doc
Ik heb de cd ingelezen op mijn computerwerkplek en vastgesteld dat voormelde 16 facturen in de vorm van Word-documenten op de cd staan. Inclusief deze 16 facturen heb ik 627 facturen in een directory ‘Facturen 2008’ op deze cd aangetroffen. (…)
(dossierpagina 1729)
Ten behoeve van een vergelijkende analyse heb ik van de voornoemde 16 Word-documenten uit de directory ‘ [B.V. 1] BV\VERKOOP\FAKTUREN 2008’ alsmede van 40 andere Word-documenten met een factuurnummer dat voorafgaat aan of volgt op één van de 16 hiervoor genoemde factuurnummers de bestandseigenschappen met behulp van FTK geëxporteerd naar een Excel-bestand met de bestandsnaam ‘Bijlagen bij pv AFI-105 metadata facturen.xls’. Het betreft in totaal 56 Word-documenten. (…)
Ik heb de bestandseigenschappen van 56 facturen oplopend gesorteerd op factuurdatum. (…) Bij deze sortering is mij het volgende opgevallen:
Ondanks aangrenzend factuurnummer en gelijke factuurdatum wijkt bij de vermoedelijke valse facturen de ‘last author’ af van de ‘last author’ van belendende factuurnummers. Bij de vermoedelijke niet-valse factuurnummers is de last author ‘x1’ en in één geval ‘X’. (…)
(dossierpagina 1730)
Van de 14 facturen van ‘last author X’ komen 13 facturen overeen met de 16 hiervoor genoemde en door [verbalisant 2] als vermoedelijk vals betitelde facturen. In dit tabblad is mij het volgende opgevallen:
  • Volgens de bestandseigenschap ‘Last saved’ zijn 13 van deze 14 vermoedelijk valse facturen opgeslagen op 24 september 2008 tussen 10:22 en 10:32 uur.
  • De laatste opslagdatums laten geen verband zien met de factuurdatums.
  • De reeks revisienummers varieert niet per geadresseerde maar loopt min of meer door.
  • De creatiedatums van de ‘ [afnemer 1-facturen] ’ namelijk 29 april 2008 komen overeen met de creatiedatums van de ‘ [bedrijf 1-facturen] ’ van auteur ‘x1’.
  • De creatiedatums van de facturen aan ‘ [afnemer 2] ’ namelijk 7 januari 2008 komen overeen met de creatiedatums van de facturen aan ‘ [afnemer 2] ’ van auteur 'x1'.
Bij mij rijst het vermoeden dat deze 13 vermoedelijk valse facturen niet zijn gemaakt in een regulier proces van debiteurenadministratie maar, op factuurnummer 261 na, op 24 september 2008 tussen 10:22 en 10:32 uur.
Van de 3 facturen van ‘last author x1’ komen 3 facturen overeen met de 16 hiervoor genoemde en door [verbalisant 2] als vermoedelijk vals betitelde facturen. Van deze facturen valt mij het volgende op:
  • De laatste opslagdatums 24 en 25 september 2008 laten geen verband zien met de factuurdatums.
  • De creatiedatums van de ‘ [afnemer 1-facturen] ’ namelijk 29 april 2008 komen, evenals de creatiedatums van de vermoedelijk valse facturen van auteur ‘X’ overeen met de ‘ [bedrijf 1-facturen] ’ van auteur ‘x1’.
Ik vermoed dat deze 3 vermoedelijk valse facturen niet zijn gemaakt in een regulier proces van debiteurenadministratie maar op 24 september 2008 om 14:28 uur en op 25 september 2008 om 14:00 en 16:15 uur.
25.
Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juni 2011, dossierpagina’s 406 t/m 432 (V01-01), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
(dossierpagina 410)
Vraag verbalisanten:
Hoe was u betrokken bij [B.V. 1] ?
Gehoorde:
Ik heb de connecties. Ik gaf door aan mijn zonen dat zij de machines konden verhuren aan [bedrijf 2] in [plaats] . Dat is een paar jaar goed gegaan. In 2007 of 2008 is [bestuurder 2, tevens zoon van verdachte] steeds meer naar het buitenland gegaan voor de paardensport en [bestuurder 1, tevens zoon van verdachte] ging in een keer meubels en bubbelbaden leveren via zijn Belgische vennootschap. Ik ben er toen ingesprongen en mijn vrouw, [echtgenote van verdachte] , heeft de aandelen toen overgenomen en ik ben directeur/bestuurder geworden. Ik heb toen de activiteiten veranderd met uitzenden en detacheren. Ik ben toen een uitzendbureau begonnen in [B.V. 1] . De verhuur van de machines ging gewoon door.
(dossierpagina’s 411 en 412)
Vraag verbalisanten:
Op basis van welke gegevens werden de aangiften omzetbelasting op naam van [B.V. 1] opgemaakt en ingediend?
Gehoorde:
Die werden samengeteld en op een A-4tje opgeschreven. Ik leverde deze gegevens aan. Ik heb dat gedaan vanaf het derde kwartaal 2007 of 2008. [getuige 6] maakte de tellingen. Ik schreef de gegevens handmatig op een A-4tje en faxte deze rechtstreeks door naar een zekere [naam] van [accountantskantoor] .
(dossierpagina 420)
Vraag verbalisanten:
Door wie werden de ondernemingen [B.V. 1] , [B.V. 5] BV, [B.V. 2] en [B.V. 3] feitelijk geleid?
Gehoorde:
Ik ben leidinggevende van [B.V. 1] , [B.V. 5] BV, [B.V. 2] en [B.V. 3] . Met betrekking tot [B.V. 1] ingaande het derde kwartaal 2007 of 2008. Ik ben de baas. Ik neem de beslissingen. Ik neem de werken aan, zowel winst als verlies. Ik ben degene die zegt wie er betaald wordt, crediteuren en loontrekkenden en ZZP-ers. Ik bepaal ook de prijzen voor het inlenen. Ik verdeel de taken onder het personeel.
(dossierpagina 421)
Vraag verbalisanten:
Wij tonen u een kopie van een faxbericht, zie D-0057-3 tot en met D-0057-6. Wie heeft deze gegevens geschreven die betrekking hebben op de aangifte omzetbelasting 2e kwartaal 2008 van [B.V. 1] ?
Gehoorde:
Het document met nummer D-0057-3 heb ik opgemaakt (…).
Vraag verbalisanten:
Wij tonen u een kopie van een faxbericht, zie D-0533-3. Wie heeft deze gegevens geschreven die betrekking hebben op de aangifte omzetbelasting 3e kwartaal 2008 van
[B.V. 1] ?
Gehoorde:
Ik heb deze gegevens aangeleverd aan [accountantskantoor] . Het is mijn
handschrift. (…).
Vraag verbalisanten:
Wij tonen u een kopie van een faxbericht, zie D-0534-3. Wie heeft deze gegevens
geschreven die betrekking hebben op de aangifte omzetbelasting 4e kwartaal 2008 van
[B.V. 1] ?
Gehoorde:
Dat is mijn handschrift ook en ook mijn handtekening. Ik heb de gegevens aangeleverd
aan [accountantskantoor] voor het doen van aangifte van het 4e kwartaal 2008 voor de
omzetbelasting.
26.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 28 mei 2010, dossierpagina’s 736 t/m 739 (G03-01), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
(dossierpagina 737)
Gehoorde:
Ik run [accountantskantoor] BV. (…)
(dossierpagina 738)
Vraag verbalisanten:
Welke werkzaamheden heeft [accountantskantoor] BV hier op kantoor verricht voor de ondernemingen van de [familie van verdachte] ?
Gehoorde:
Voor zover ik weet, zijn dat de aangifte loonbelasting en omzetbelasting. (…)
Vraag verbalisanten:
Waarom bent u gestopt met de dienstverlening aan [verdachte] ?
Gehoorde:
(…) De relevante gegevens werden soms niet compleet aangeleverd. Bij de omzetbelasting kreeg ik geen onderliggende stukken om die aangiften te kunnen maken. We kregen alleen een lijstje met daarop de bedragen die we moesten invullen op de aangiften. (…)
27.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 28 mei 2010, dossierpagina’s 843 t/m 849 (G15-01), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3] :
(dossierpagina 843)
Gehoorde:
Ik werk als assistent accountant bij [accountantskantoor] BV. (…)
(dossierpagina 844)
Vraag verbalisanten:
Welke werkzaamheden heeft [accountantskantoor] BV verricht voor [B.V. 1] ?
Gehoorde:
(…) Ik deed de aangiften omzetbelasting. Ik stelde de aangiften zelf op aan de hand van de gegevens die ik van [betrokkene 1] of [verdachte] kreeg. (…)
Vraag verbalisanten:
Hoe kreeg u de onderliggende stukken aangeleverd en van wie?
Gehoorde:
(…) Inzake de omzetbelasting kreeg ik of van [verdachte] of [echtgenote van verdachte] of van [betrokkene 1]
een blaadje met daarop de cijfers die op de aangifte terug moesten komen.
Soms waren de gegevens opgeschreven door [echtgenote van verdachte] of [verdachte] en soms ook
door [betrokkene 1] . [verdachte] heeft ze ook wel eens doorgebeld. (…)
28.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 4] d.d. 10 maart 2011, dossierpagina’s 811 t/m 823 (G11-01), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4] :
(dossierpagina 818)
Vraag verbalisanten:
Wij, verbalisanten, tonen u kopieën de facturen van [B.V. 1] aan [afnemer 1] in de periode van 07-07-2008 tot en met 15-09-2008, zie documenten D-0028 t/m D-0038. U heeft deze kopiefacturen tijdens een belastingdienstcontrole aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld. Herkent u de kopiefacturen?
Gehoorde:
Ja, absoluut. Ik heb ze zelfs zelf betaald. Dat zie ik aan de plaats van de stempels op de
facturen. (…)
Vraag verbalisanten:
Wij, verbalisanten, tonen u de prints van de facturen van [B.V. 1] aan [afnemer 1] in de periode van 07-07-2008 tot en met 15-09-2008, zie documenten D-0058 t/m D-0068. Op deze prints lezen wij “BTW verlegd”. Kent u deze facturen?
Gehoorde:
Zo ken ik de facturen niet. Bij facturen aan [afnemer 1] door de bedrijven van [verdachte] wordt altijd BTW in rekening gebracht.
29.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 5] d.d. 28 mei 2010, dossierpagina’s 741 t/m 756 (G04-01), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5] :
(dossierpagina 745)
Vraag verbalisanten:
Welke werkzaamheden verricht u of heeft u verricht voor [B.V. 1] ?
Gehoorde:
De loonadministratie, en verder niets. Ook de aangifte loonbelasting en omzetbelasting
deed ik. De gegevens van de aangiften omzetbelasting kreeg ik door van het kantoor op de [bedrijfsadres B.V. 1] , meestal per fax, en op basis van die gegevens stelde ik de aangiften omzetbelasting op en verzond ze naar de Belastingdienst. (…).
(dossierpagina 751)
Vraag verbalisanten:
Welke werkzaamheden verricht u of heeft u verricht voor [B.V. 2] ?
Gehoorde:
Ik heb daar alleen de loonadministratie voor gedaan en omzetbelastingaangiften. Hetzelfde als bij [B.V. 1] .
(dossierpagina 752)
Vraag verbalisanten:
Welke belastingaangifte heeft u gedaan voor [B.V. 2] ?
Gehoorde:
OB vanaf 1e kwartaal 2007 t/m 2e kwartaal 2008 (…).
(dossierpagina 753)
Vraag verbalisanten:
Op basis van welke stukken verzorgde u de aangiften omzetbelasting op naam van [B.V. 2] over het 1e en 2e kwartaal van 2008?
Gehoorde:
(…) ik kreeg per fax een A-4tje met cijfers aan de hand waarvan ik de aangifte heb gedaan.
30.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 6] d.d. 28 mei 2010, dossierpagina’s 775 t/m 784 (G06-01), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 6] :
(dossierpagina 775)
Vraag verbalisanten:
Wie verzorgde de administratie van [B.V. 1] ?
Gehoorde:
Aan de hand van de werkkaarten die ik kreeg van de planners, dat waren [bestuurder 1, tevens zoon van verdachte] en [verdachte] , maakte ik facturen op (…). De facturen werden uitgeprint en werden verstuurd. Er werd een kopie van de facturen gemaakt. Bij die kopie-factuur werden de werkkaarten en de urenbriefjes gehecht en opgeborgen in een ordner. Dat was altijd dezelfde werkwijze.
(dossierpagina 777)
Vraag verbalisanten:
Wij tonen documenten D-0018 t/m D-0052 zijnde facturen uit 2008 van [B.V. 1] aan [afnemer 1] . Wie heeft deze facturen opgemaakt?
Gehoorde:
Dit zijn gebruikelijke facturen van [B.V. 1] die mogelijk door mij zijn opgemaakt. (…)
(dossierpagina 778)
Vraag verbalisanten:
Wij tonen u wederom 11 verkoopfacturen van [B.V. 1] aan [afnemer 1] , zie documenten D-0028 t/m D-0038. Deze facturen zijn afkomstig uit de administratie van [afnemer 1] . Deze verkoopfacturen zijn qua omschrijving, datering, factuurnummering identiek aan de 11 prints van de digitale verkoopfacturen, zie D-0058 t/m D-0068 die we u zojuist hebben getoond met uitzondering van de regel inzake de omzetbelasting. Op die regel lezen wij nu dat de BTW “verlegd” zou zijn. De totaalbedragen komen op beide facturen komen wel weer overeen. Heeft u hier een verklaring voor?
Gehoorde:
(…) Ik heb hier geen verklaring voor. Voor zover ik me kan herinneren was [afnemer 1] één van de klanten waar BTW in rekening werk gebracht. De bedragen vermeld op facturen die u mij toont met nummers D-0058 tot en met D-0068 zijn voor zover ik nu zie verkeerd opgeteld. Daar heb ik ook geen verklaring voor. (…)
(dossierpagina 779)
Vraag verbalisanten:
Wij tonen u wederom 4 verkoopfacturen van [B.V. 1] aan [afnemer 2] , zie documenten D-0097 t/m D-0100. Deze facturen zijn afkomstig uit de administratie van [afnemer 2] . Deze verkoopfacturen zijn qua omschrijving, datering, factuurnummering identiek aan de volgende prints van D-0102 t/m D-0105 digitale facturen van [B.V. 1] , zie documenten D-0102 t/m D-0105, die wij u tonen. Ook hier weer met uitzondering van de regel inzake de omzetbelasting. Op die regel lezen wij nu dat de BTW “verlegd” zou zijn. De totaalbedragen komen op beide facturen komen wel weer overeen. Heeft u hier een verklaring voor?
Gehoorde:
Hiervoor geldt hetzelfde als ik hiervoor heb verklaard ten aanzien van de facturen [afnemer 1] die u mij zojuist heeft getoond. Desgevraagd zeg ik u dat de facturen waarop BTW in rekening is gebracht aan [afnemer 2] volgens mij de facturen zijn die mogelijk ook door mij zijn opgemaakt en dus de juiste zijn. Over de facturen met “BTW verlegd" kan ik niets zeggen. (…)
Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat het bewijs voor deze tenlastegelegde feiten tekort schiet, omdat geen complete boekhouding van [B.V. 1] en [B.V. 2] is aangetroffen. Met datgene wat wel is aangetroffen, zijnde de facturen aan de afnemers die wezenlijk verschillen van de in de administratie van [B.V. 1] en [B.V. 2] opgenomen facturen, kan het bewijs dat opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting zijn gedaan, niet worden geleverd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Op grond van de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat [B.V. 1] en [B.V. 2] in het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal van 2008 facturen met omzetbelasting hebben verstuurd aan [afnemer 1] , [afnemer 2] en overige afnemers. De Belastingdienst/FIOD heeft de in deze facturen in rekening gebrachte omzetbelasting vergeleken met de door [B.V. 1] en [B.V. 2] in de periode van 25 april 2008 tot en met 30 januari 2009 ingediende kwartaalaangiften omzetbelasting en geconstateerd dat de omzetbelasting die stond vermeld op de facturen aan [afnemer 1] , [afnemer 2] en de overige afnemers niet door [B.V. 1] en [B.V. 2] als verschuldigd op de aangifte was aangegeven en afgedragen.
Tevens zijn de door [B.V. 1] aan [afnemer 1] en [afnemer 2] verstuurde kopie-facturen vergeleken met de middels USB-stick (digitaal) verkregen verkoopfacturen van [B.V. 1] over de periode van 7 januari 2008 tot en met 6 oktober 2008. Uit deze vergelijking kwam naar voren dat zich tussen de digitale facturen van [B.V. 1] aan [afnemer 1] en van [B.V. 1] aan [afnemer 2] (in totaal) 15 facturen bevonden die identiek waren aan de kopie-facturen zoals aangetroffen in de administraties van [afnemer 1] en [afnemer 2] , met uitzondering dat op de digitale facturen de omzetbelasting als verlegd was vermeld.
Dat – zoals de raadsman heeft betoogd – geen sprake is van een complete boekhouding van [B.V. 1] en [B.V. 2] doet naar het oordeel van het hof niet ter zake, aangezien de in de administratie van [afnemer 1] , [afnemer 2] en [B.V. 1] en [B.V. 2] zelf aangetroffen facturen – gelet op het bepaalde in artikel 37 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 – reeds als uitgangspunt kunnen dienen voor de berekening van het bedrag dat (in casu: te weinig) als verschuldigde omzetbelasting is aangegeven en afgedragen. Voorts acht het hof, evenals de rechtbank, niet aannemelijk dat creditnota’s met BTW verlegd door [B.V. 1] respectievelijk [B.V. 2] aan de afnemers zijn verstuurd, temeer nu uit het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 25 februari 2015 volgt dat in de administratie van [afnemer 1] over 2008 geen creditnota’s zijn aangetroffen die betrekking hebben op de diensten gefactureerd op de facturen D-0028 tot en met D-0038. [1]
Het hof verwerpt daarom het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Het bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:
valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, aan de verdachte geen gevangenisstraf zal worden opgelegd, maar een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Door de verdediging is primair toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepleit, subsidiair is verzocht tot oplegging van een geheel voorwaardelijke straf en meer subsidiair heeft de verdediging zich geschaard achter de eis van de advocaat-generaal, doch met dien verstande dat is verzocht een groot gedeelte van de gevorderde taakstraf voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude door twee vennootschappen en het valselijk opmaken van een deel van de bedrijfsadministratie van één van die vennootschappen.
De FIOD heeft becijferd dat de fiscus als gevolg van de bewezenverklaarde feiten van de verdachte voor een bedrag van € 265.310,77 is benadeeld ter zake van de omzetbelasting (dossierpagina’s 56-57 en 74-75). Dat bedrag ziet op het nadeel dat is ontstaan als gevolg van het indienen van onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting over, in het geval van [B.V. 1] , het tweede, derde en vierde kwartaal van het jaar 2008 en over, in het geval van [B.V. 2] , eerste en tweede kwartaal van het jaar 2008.
De raadsman van de verdachte heeft in dit verband – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – bepleit dat uit moet worden gegaan van een lager nadeelbedrag dan door de FIOD is becijferd. Volgens de raadsman volgt uit de uitspraak van de belastingkamer van dit hof d.d. 31 december 2020, gewezen onder rolnummer 19/00165, dat het belastingnadeel € 60.895,00 minder bedraagt dan door de FIOD is berekend.
Het hof stelt vast dat bij de berekening van het totale nadeel een correctie van € 60.895,00, zijnde het omzetbelastingbedrag dat gemoeid is met de verkoop van bedrijfsmiddelen door [B.V. 2] aan [B.V. 1] , buiten beschouwing is gelaten wegens toepassing van artikel 31 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 en het feit dat dit bedrag noch door [B.V. 2] werd aangegeven als verschuldigde omzetbelasting noch door [B.V. 1] als voorbelasting werd opgevoerd. [2] Om diezelfde reden is dit omzetbelastingbedrag niet meegenomen in de door de FIOD gemaakte berekening van de verschuldigde omzetbelasting van [B.V. 1] over het 2e kwartaal 2008. [3] Nog daargelaten dat de beslissing van de belastingkamer van het hof waarop de raadsman kennelijk doelt, te weten dat de beschikking aansprakelijkstelling met een bedrag van € 60.895,00 dient te worden verminderd, geen effect sorteert op het daadwerkelijk door de Staat der Nederlanden geleden nadeel, is voornoemd bedrag dus terecht niet meegenomen in het door de FIOD berekende benadelingsbedrag. Het straftoemetingsverweer van de raadsman treft daarom geen doel.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 augustus 2021, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder in Nederland onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte herstellende is van een knieoperatie en onder medisch toezicht staat in verband met hartproblemen. Hoewel de verdachte niet meer actief is betrokken bij de ondernemingen, heeft hij onlangs – vanwege het overspannen raken van zijn zoon – moeten bijspringen om de ondernemingen draaiende te houden.
Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, dan wel oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman is bepleit, doet naar ’s hofs oordeel geen dan wel onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daartoe niet zal overgaan. Datzelfde geldt voor de taakstraf, zoals die door de advocaat-generaal is gevorderd.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden. Daarbij heeft het hof de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, als uitgangspunt genomen. In de persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken, ziet het hof aanleiding de gevangenisstraf voor een deel, te weten voor de duur van 3 maanden, voorwaardelijk op te leggen.
Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Bij de strafvervolging van de verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overschreden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het voornemen had tegen hem strafvervolging in te stellen. In dit geval wordt die termijn gerekend vanaf 20 juni 2011, de datum van het eerste inhoudelijke verhoor van de verdachte. Nadat hij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 24 juni 2016 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 30 juni 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 23 november 2021 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt dus ongeveer 60 maanden. Het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt ongeveer 65 maanden. Daarnaast behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 4 jaren.
Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel deze zaak complex en omvangrijk van aard is, de verdachte in eerste aanleg om medische redenen niet naar de zitting heeft kunnen komen waardoor de behandeling is verdaagd en er op verzoek van de verdediging een aantal getuigen door de rechter-commissaris zijn gehoord, is het hof van oordeel dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen en mogen verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat telkens einduitspraak is gedaan na het verstrijken van twee jaren. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 36 maanden overschreden. In hoger beroep is sprake van een overschrijding van ruim 41 maanden. Het hof zal de totale overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 3 maanden.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze voorschriften luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraakbeslissing van de rechtbank ter zake van het onder feit 4 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder feit 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de strafvervolging;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. S. Taalman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. A.S. van Middelkoop, griffiers,
en op 23 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. drs. Fortuin voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 25 februari 2015, met bijlagen, code: 45065-01, pagina 2.
2.Aanvangsproces-verbaal d.d. 17 augustus 2009, dossierpagina 1161 (AH-001).
3.Overzichtsproces-verbaal, zaakdossier 1, d.d. 18 augustus 2011, dossierpagina 57 (OPV-1).