Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/347784 / HA ZA 18-502)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met productie en eiswijziging;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met productie en tevens antwoordakte eiswijziging;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;
- de akte in principaal hoger beroep van [appellante] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerde c.s.] ;
- de akte overlegging producties met productielijst en producties 2 en 3 die [geïntimeerde c.s.] bij H12 formulier van 20 september 2021 met brief van 20 september 2021 aan het hof heeft toegezonden en bij mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;
- de akte overleggen productie met productie 7 en een productieoverzicht die [appellante] bij H12 formulier van 21 september 2021 met brief van 21 september 2021 aan het hof heeft toegezonden en bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;
- de mondelinge behandeling gehouden op 12 oktober 2021 waarbij [geïntimeerde c.s.] een pleitnotitie en [appellante] spreekaantekeningen heeft overgelegd.
3.De beoordeling
Verklaringen van Verkoper inzake verontreiniging
- het gebezigde gebruik van het Verkochte,
Gezien de zeer beperkte ruimte (in de breedte ca. 2,5 mtr) voor ontgraving (als gevolg van bebouwing en de perceelsgrens/hekwerk) lag het aanvankelijk in de bedoeling om een sleufbekisting te gebruiken om tot een diepte van ca. 2/2,5 m-mv te ontgraven. Ook ter bescherming tegen schade (verzakking/scheurvorming) van de aangrenzende bebouwing. Echter, na het verrichten van de KLIC-melding, blijkt uit de tekeningen dat ter plaatse van het pad waar de obas/verontreiniging zich bevindt, dat er vele soorten kabels/leidingen bevinden. Een inzet van de sleufbekisting is daarom geen optie meer. Om de gehele grondverontreiniging te kunnen ontgraven m.b.v. de sleufbekisting, dienen alle kabels en leidingen afgekapt en omgelegd te worden. Dit heeft tot gevolg dat het bestaande autobedrijf meerdere dagen gesloten dient te worden en het afkappen/omleggen gaat gepaard met zeer hoge kosten. Dit staat niet in verhouding om enkele m3 verontreinigde grond te ontgraven.
De voorgestelde wijziging is akkoord. Aanpak restverontreiniging verschuift hiermee naar toekomstig, natuurlijk moment.(…)”.
Met de uitgevoerde sanering stemmen wij in. De achtergebleven verontreinigde grond moet in de toekomst, als deze bereikbaar is, alsnog verwijderd worden.(…)”.
De heer [persoon A] van [Milieu Advies] Milieu Advies stelt in zijn mail van 8 maart 2017 dat de sanering als afgerond kan worden beschouwd. Daartoe voert hij aan dat de resterende verontreiniging nu niet verwijderd kan worden vanwege de aanwezigheid van kabels/leidingen en de saneringskosten van de rest verontreiniging niet kosteneffectief zijn ten opzichte van het te behalen milieurendement omdat er veel kosten moeten worden gemaakt voor het omleggen van de kabels/leidingen om de sanering alsnog mogelijk te maken. Vervolgens wordt voorgesteld dat, vanwege de nog aanwezige verontreiniging, partijen in overleg treden om tot een kosteninschatting te komen voor het saneren van de rest verontreiniging welke dan alsnog in mindering kan komen op het bij de notaris in depot staande bedrag.
hebben niet verdisconteerd dat de aanwezigheid van kabels en leidingen in combinatie met de beperkte ruimte ter plaatse en de noodzaak van een sleufbekisting er toe zou leiden, dat bij volledige sanering het bedrijf van de huurder van het pand zo’n 2 à 3 weken zou moeten worden stilgelegd omdat kabels en leidingen afgekapt en omgeleid zouden moeten worden en gebruik zou moeten worden gemaakt van het belendende perceel voor opslag.” (rov 3.13.).
Van onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 kan Pro alleen sprake zijn voor zover het betreft omstandigheden die op het ogenblik van tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lagen. Voor toepassing van art. 6:258 is Pro alleen plaats wanneer de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij van degene die herziening van de overeenkomst verlangt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan dit vereiste zal niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe (vgl. Parl Gesch. Boek 6, p. 969). Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechter terughoudendheid moet betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden (vgl. HR 27 april 1984, NJ 1984, 679, rov. 3.2).”
waaruit blijkt dat het Verkochte in zodanige mate is verontreinigd met giftige, chemische en/of andere (gevaarlijke) stoffen, dat het aannemelijk is dat deze verontreiniging ingevolge de thans geldende milieuwetgeving en/of milieurechtspraak aanleiding zou geven tot sanering of tot het nemen van andere maatregelen,
behoudens de spot verontreiniging(…)”
.
Partijen zijn overeengekomen dat er in de maand juni tweeduizendzestien een nieuwe “milieukeuring” zal plaats vinden.
“rest verontreiniging”(spot verontreiniging)”aanwezig zou zijn deze zou worden verwijderd in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde c.s.] Dat partijen andere afspraken hebben gemaakt is gesteld noch gebleken.
“(…) op basis van de vermogensvermindering die ten tijde van de niet-nakoming door de tot de prestatie gerechtigde is geleden ten opzichte van de situatie waarin hij zou zijn geraakt bij behoorlijke nakoming van de verbintenis(…)”(Hoge Raad 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9339).
je kent ons toch, wij lossen dat op!”, mocht verwachten dat [geïntimeerde c.s.] zich heeft verplicht tot sanering voor een bedrag van € 18.885,79 (zie hiervoor onder 3.1.9) + € 51.565,- (€ 64.765,- min € 13.200,-), dus totaal € 70.450,79 heeft zij onvoldoende onderbouwd. In zoverre faalt grief 1. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat partijen er kennelijk van uit gingen dat een bedrag van € 30.000,- voldoende zou zijn. Feiten of omstandigheden op grond waarvan anders zou moeten worden aangenomen zijn gesteld noch gebleken. Het betoog van [appellante] bij mondelinge behandeling (spreekaantekeningen van [appellante] onder 11 e) dat het bedrag van € 30.000,- is vastgesteld omdat [geïntimeerde c.s.] een hoger bedrag niet kon missen, is, nog daargelaten dat [geïntimeerde c.s.] dit heeft betwist, tardief omdat het voor het eerst bij mondelinge behandeling is aangevoerd.