Het geschil betreft een burenruzie over een houten tuinscherm dat [appellanten] op een plat dak heeft geplaatst, waarbij deel I van de schutting deels op het perceel van [geïntimeerden] staat. [Geïntimeerden] vordert verwijdering van dit deel van de schutting, herstel van het dakleer dat beschadigd zou zijn door het storten van beton voor de schutting, en vergoeding van de kosten van een kadastraal onderzoek.
De kantonrechter heeft eerder de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen, en [appellanten] is in hoger beroep gekomen met drie grieven. Het hof oordeelt dat het kadastrale rapport en foto’s voldoende aantonen dat de schutting deels op het perceel van [geïntimeerden] staat, en dat de betwisting van [appellanten] onvoldoende is gemotiveerd.
Verder is vastgesteld dat het storten van beton en het plaatsen van tegels op het dakleer schade kan veroorzaken, wat door verklaringen van dakdekkers wordt ondersteund. De betwisting van [appellanten] hierover faalt. Ook de kosten van het kadastrale onderzoek worden als redelijk en toewijsbaar aan [appellanten] beschouwd.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep en verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.