Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 6 april 2021;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 12 mei 2021;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met productie, ingekomen ter griffie op 25 mei 2021;
- [de werknemer] [met hulp van de beëdigd tolk mw. K van den Berg (nr. 439)], bijgestaan door mrs. Slager en D. de Gilder;
- de ter zitting door mr. Andriessen respectievelijk mr. De Gilder overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen.
3.De beoordeling
primairhet ontslag op staande voet te vernietigen en [de werkgever] te veroordelen tot het verschaffen van toegang tot haar werkplek, tot rectificatie van het ontslag op staande voet middels plaatsing van een door [de werknemer] geformuleerd bericht op het intranet van [de werkgever] en tot het doorbetalen van het overeengekomen loon en emolumenten vanaf 21 januari 2020 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen (te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging).
primairheeft verzocht te verklaren voor recht dat het door [de werkgever] op 21 januari 2020 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en [de werknemer] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding.
‘you don’t share our agreement with anyone’(hiervoor weergegeven onder 3.1 b) blijkt dat [de werknemer] zich de ernst van haar afwijkende gedraging realiseerde. [de werkgever] is van mening dat [de werknemer] [betrokkene 1] bevoordeelde ten opzichte van de andere studenten die het tentamen op school deden, onder meer omdat bij een tentamen thuis iedere vorm van controle is verdwenen. De ziekte van [betrokkene 1] mag geen verzachtende omstandigheid zijn, aldus [de werkgever] .
“ promised a student who had failed for one component of an exam to give him, independently of the performance he delivered, such a high grade for another component that he would pass the exam”.Zou daadwerkelijk sprake zijn van het (al dan niet vooraf) beloven door [de werknemer] om zomaar en los van zijn geleverde prestatie bij het door haar gegeven onderdeel (‘het proces’), het cijfer van [betrokkene 2] voor het andere onderdeel (‘de presentatie’) te compenseren, dan zou het hof dat dermate kwalijk achten dat sprake zou (kunnen) zijn van een dringende reden. Echter, [de werknemer] heeft ter zitting van dit hof verklaard dat zij de 10 die zij aan [betrokkene 2] wilde geven voor haar onderdeel (‘het proces’) al vóór ‘de presentatie’ – en vóór de beoordeling daarvan middels het cijfer 5,5 - in haar hoofd had, maar het hem pas op 13 december 2019, na de presentatie, heeft medegedeeld omdat ze nooit vóór een presentatie een cijfer geeft. Dat [de werknemer] al vóór de presentatie het cijfer (10 - zie over de hoogte van het cijfer hierna-) in haar hoofd had, acht het hof voldoende aannemelijk, aangezien zij reeds vóór de presentatie over alle gegevens betreffende het (stage)proces dat [betrokkene 2] reeds had doorlopen beschikte. Dat [de werknemer] ‘
independently of the performance he delivered’ aan [betrokkene 2] een zo hoog cijfer zou hebben beloofd dat hij altijd (vanwege het compenseren van een eventueel laag cijfer voor het presentatie-onderdeel) zou slagen, acht het hof hier tegenover onvoldoende onderbouwd en is dan ook naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan.